Psalm 139

Terug naar psalm overzicht

Info
 

Melodie

midi bestand
1773

1
Niets is, o Oppermajesteit,
Bedekt voor Uw alwetendheid;
Gij kent mij, Gij doorgrondt mijn daan;
Gij weet mijn zitten en mijn staan;
Wat ik beraad', of wil betrachten,
Gij kent van verre mijn gedachten.
2
G' omringt mijn gaan en liggen, Gij,
O HEER', zijt altoos nevens mij;
Uw onbepaalde wetenschap
Kent mijnen weg van stap tot stap;
Geen woord is nog mijn tong ontgleden,
Of Gij, Gij weet alreeds mijn reden.
3
Gij hebt van achtren mij bezet;
Vooruit wordt mij de vlucht belet;
Ik word bepaald door Uwe hand.
Hoe zou ik met mijn zwak verstand
Naar Uwe wondre kennis streven?
Z' is mij te groot, te hoog verheven.
4
Waar zou ik Uwen Geest ontvlien?
Waar zou m', o HEER', Uw oog niet zien?
Al voer ik op naar 's hemels trans,
Daar zijt Gij, daar vertoont G' Uw glans;
Al daald' ik zelfs ter helle neder,
Daar vond ik ook Uw aanschijn weder.
5
Al nam ik van den dageraad
De vleugelen des lichts te baat;
Al waar' aan 't uiterste der zee
De plaats van mijne legerstee;
D  r zoud' ook Uwe hand mij leiden,
Uw rechterhand niet van mij scheiden.
6
Indien ik zeg: "De donkerheid
Bedekt mij voor Uw majesteit",
Dan is de nacht een helder licht,
Dat mij ontdekt aan Uw gezicht.
Voor U, o HEER', is 't aaklig duister
Den dag gelijk in glans en luister.
7
Gij hebt mijn gans gestel doorgrond,
Zelfs voor mijn eersten levensstond.
Ik ben verbazend voortgebracht.
Op 't nagaan van Uw wondre macht,
Sla ik verrukt het oog naar boven:
'k Zal U, mijn Schepper, altoos loven.
8
Mijn ziel bepeinst uw wonderdaan,
Die al 't begrip te boven gaan.
Uw oog heeft mijn gebeent' verzeld,
Toen ik, verborgen saamgesteld,
Als een borduursel, lag verscholen:
Van mij was niets voor U verholen.
9
Gij hebt, wijl niets Uw oog weerhoudt,
Mijn ongevormden klomp beschouwd;
Ja Gij, Wiens wijsheid nimmer faalt,
Hadt mijn geboortestond bepaald;
Eer iets van mij begon te leven,
Was alles in Uw boek geschreven.
10
Hoe dierbaar zijn m' Uw wonderdaan!
Zij zijn onmooglijk na te gaan.
Hoe menigvuldig zijn z', o HEER'!
Zou ik die tellen 'k zou veeleer
't Getal der korrlen zands bepalen.
Uw wondren zijn niet af te malen.
11
Wanneer ik in den nacht ontwaak,
Ben ik bij U, mijn zielsvermaak.
O God, laat door Uw grote macht
De bozen worden omgebracht;
Doe, doe hen voor Uw arm bezwijken.
Gij, bloedvergieters, gij moet wijken.
12
Stel hunnen hoogmoed perk en paal,
Zij honen U door snode taal;
Z' ontzien zich niet U t' allen stond'
Te lasteren met hart en mond;
Daar zij, ten spot van Uw vermogen,
Al Uwer haatren trots verhogen.
13
Zou 'k hen niet haten in mijn hart,
Wier snode haat Uw goedheid tart?
Zou ik hen, die U weerstand bien,
Niet met verdrietig' ogen zien?
'k Zal hen altijd volkomen haten,
Die trotslijk Uwen dienst verlaten.
14
Doorgrond m' en ken mijn hart, o HEER';
Is 't geen ik denk niet tot Uw eer?
Beproef m' en zie of mijn gemoed
Iets kwaads, iets onbehoorlijks voed',
En doe mij toch met vaste schreden
Den weg ter zaligheid betreden.

Datheen

1
Gij hebt mij, Heer, gans'lijk doorgrond,
Gij weet mijn kracht voor dezen stond;
Hetzij dat ik zit ofte sta,
Heere, Gij slaat zulkes al ga;
Gij verstaat, Heer, door Uwe krachten,
Van verre alle mijn gedachten.
2
't Zij dat ik wil rusten of gaan,
Gij komt mij met der haasten aan,
En doorziet scherp in dezen val
Mijn doen en ook mijn wegen al.
Daar is geen woord in mijnen monde,
Of Gij en ziet dat in den gronde.
3
Voren en achter zijt Gij Heer!
Uw hand houdt Gij over mij zeer;
Zulks te verstaan is mij voorwaar
Al veel te hoog en ook te zwaar.
Ik kan Uwe heerlijke werken
Niet verstaan noch genoeg bemerken.
4
Waar zal ik Heer, voor Uwen Geest
Vlieden om te zijn onbevreesd?
Waar zal ik gaan voor Uw aanschijn?
Vaar ik ten hemel, Gij zult zijn
Aldaar; ja daal ik in de helle,
Daar kunt Gij mij vinden en kwellen.
5
Al nam ik haast'lijk met der daad
De vleug'len van den dageraad,
Om te vlieden tot dezen tijd
Over de zee breed ende wijd;
Daar en overal t' allen stonden
Werd ik van Uw handen gevonden.
6
Spreek ik: de duisterheid met kracht
Mij dekken zal, toch werd de nacht
Zo klaar, dat mij een ieder ziet;
Want de duisternis voor U niet
Kan bergen; maar de nacht zal wezen
Zo klaar als de middag geprezen.
7
Gij hebt o Heer, in Uw geweld
Mijn nieren; ook ben ik gesteld
Van mijner moeders lichaam aan
Onder Uw bewaringe zaan.
Dies voor al zulke wonderdingen
Wil ik U Heer, lof en dank zingen.
8
Wonderbaar zijn Uw werken, Heer!
't Welk mijn ziel bekent langs zo meer,
En neemt daarop vlijtiglijk acht,
Voor U en was ook niet mijn kracht
Verborgen, als ik was te zame
Gebeeldet in 's moeders lichame.
9
Gij hebt mij ook, Heer, voortgebracht
Uit de aarde door Uwe macht;
Gij zaagt mij aan zeer goedertier',
Toen ik nog onvolmaakt was schier.
De tijd van mijn volgende leven
Was schoon in Uwen boek geschreven.
10
Hoe kost'lijk is mij Uwen raad;
't Getal mij gans te boven gaat
Uwes raads, die beroemd is wijd.
Wil ik dien tellen nu ter tijd,
Hij gaat in veelheid dat zand kleine
Verre te boven in 't gemeine.
11
Ik gedenke daaraan eenpaar
Als ik wakker ben 's morgens klaar.
O God! woudt Gij verderven snel
Alle de godd'lozen zeer fel.
De bloedhonden zouden bezwijken,
Ja ook met schande van mij wijken.
12
Want zij spreken, Heer, met hoogmoed
Van U lasterlijk zeer onvroed;
Zij verheffen hen op onrein;
Dies haat ik alle die gemein,
Die U haten; ook die gezellen,
Die hen, Heere, tegen U stellen.
13
Met rechten ernst uit 's harten grond
Haat ik, o Heer, die t' allen stond;
Zij zijn mijn vijanden niet klein.
Maar Gij, Die 't harte kent allein,
Doorzoek mijn hart, Gij wordt geware
Dat ik 't recht meen in 't openbare.
14
Mijn hart en gemoed wel doorziet.
Doorgrond mij ganselijk met vliet.
Zie of ik in de wegen kwaad
Wandele, die Gij Heere, haat;
En zijt mij altijd wel genegen,
Geleid mij ook in Uwe wegen.

Overige
Gereformeerd kerkboekHeer, U doorgrondt mij van omhoog
Liedboek 1973Heer, die mij ziet zoals ik ben
Marnix van St. AldegondeD vhebst o Heer my wel doorgrondt,
Bladmuziek
Van deze psalm zijn er geen muziekbewerkingen.
Afbeelding
Video
Hieronder staan een aantal video's. Hier kunnen video's tussen staan die niets met deze psalm te maken hebben.

© juichtaarde.nl

Juich dan den HEER' met blijde galmen,
Gij ganse wereld, juich van vreugd.
Zing vrolijk in verheven psalmen
Het heil, dat d' aard' in 't rond verheugt.
psalm 98, berijming 1773