Psalm 137

Terug naar psalm overzicht

Info
 

Melodie

midi bestand
1773

1
Wij zaten neer, wij weenden langs de zomen
Van Babylons wijd uitgebreide stromen.
Elk stortte daar zijn bittre jammerklacht,
Als hij met smart aan 't heilig Sion dacht.
Elk, wars van vreugd en vrolijke gezangen,
Liet daar zijn harp aan sombre wilgen hangen.
2
De vijand dorst, bij al ons leed, ons tergen,
't Gevangen volk, in zijne jammren, vergen;
Dat elk zijn hart, schoon overstelpt, bedwong,
En een gezang uit Sions liedren zong.
"Hoe zou"( zeid' elk) "ons ,die in rampen zwoegen,
In 't vreemd gewest een lied des HEEREN voegen?"
3
Jeruzalem, dat, zo ik u vergete,
Mijn rechterhand niet van zichzelve wete;
Dat mijne tong aan mijn gehemelt' kleev',
Indien ik u niet steeds mijn achting geev';
Zo ramp of leed mijn hart van Sion scheure,
En ik Gods stad mijn hoogste vreugd niet keure.
4
Gedenk, o HEER', gedenk aan d' Edomieten,
Aan Salems dag, toen wij ons land verlieten,
Dien bittren dag, zo vol van grievend leed.
Gedenk aan hen, die zo ontaard en wreed
Nog zeiden, toen z' ons zagen overvallen;
"Ontbloot, ontbloot ten grondslag toe hun wallen."
5
O Babylon, wij zien eerlang u straffen.
Gelukkig hij, die u zal loon verschaffen,
Die u vergeldt al wat g' ons hebt misdaan.
Gelukkig hij, die u terneer zal slaan,
Uw kinderkens zal grijpen, o gij trotsen,
En wredelijk verplettren aan de rotsen.

Datheen

1
Als wij aan dat water tot Babel klachtig
Zaten en weenden, wezende gedachtig
Uwes, o Sion, huis des Heeren rein;
Daar hebben wij met veel klagens gemein
Onze harpen, benauwd met harten bange,
Aan de groene wilgebomen gehangen.
2
Daar hebben zij, die ons hielden gevangen,
In spot begeerd te horen onz' lofzangen,
En spraken: Zingt ons van Sion een lied.
Wij zeiden: Hoe zouden wij met verdriet
Beladen zijnde en met smaad en schanden,
Gods lof kunnen zingen in vreemde landen?
3
Doch zo ik U, Jeruzalem geprezen,
Vergete, zo moet mijn rechterhand wezen
Onwetende des harpenspel hiernaar.
Mijn tonge kleev' aan mijnen mond eenpaar,
Zo ik u vergeet en mij kan verblijden,
Anders dan in uw welvaart t' allen tijden.
4
Wil Heer, den Edomieten zijn gedachtig,
Die over Jeruzalem riepen prachtig,
Als zij de stad teniet deden zeer fel,
Gedenk, dat sommigen riepen snel:
Rein af! rein af! dat ze gans verbrand werde,
Ende meteen uitgeroeid tot der aerde.
5
Maar men zal u, Babel, nog zo verbranden;
Gelukkig zullen ook wezen de handen,
Die 't kwaad zullen wreken, van u gedaan.
Wel hem, die uw kind'ren zal grijpen aan,
En trekken van uwe borsten onreine,
Om die te verpletteren aan de steine.

Overige
Gereformeerd kerkboekAan Babels stromen zaten wij gevangen
Liedboek 1973Aan Babels stromen zaten wij gevangen
Anna Roemersdochter VisscherDoe wij bedruckt, van onse landt versteken
Marnix van St. AldegondeDoe w'uyt ons' landt aen waterkanten saten,
Bladmuziek
Van deze psalm zijn er geen muziekbewerkingen.
Afbeelding
Video
Hieronder staan een aantal video's. Hier kunnen video's tussen staan die niets met deze psalm te maken hebben.

© juichtaarde.nl

Maar 's HEEREN gunst zal over die Hem vrezen,
in eeuwigheid altoos dezelfde wezen
psalm 103, berijming 1773