Psalm 107

Terug naar psalm overzicht

Info
 

Melodie

midi bestand
1773

1
Looft, looft den HEER' gestadig;
Die Oppermajesteit
Is gunstrijk, zeer genadig,
En goed in eeuwigheid.
Dit zegg' elk, die gered
Door Hem van slaafse banden,
In vrijheid is gezet
Uit 's weerpartijders handen.
2
Die Hij van ver uit d' oorden
Van 't oost' en 't westen, bracht,
En van de zee en 't noorden
Geleidde door Zijn macht;
Die op een aaklig pad,
In woeste wildernissen,
Omzwierven en een stad
Ter woning moesten missen.
3
Hier raakten zij aan 't kwijnen
Door dorst en hongersnood;
Hun ziel leed duizend pijnen
En angsten van den dood.
Doch toen zij in 't gebed,
Tot Isrels HEER' zich wendden;
Heeft hen Zijn arm gered,
Uit angsten en ellenden.
4
God bracht na tegenheden
Hen weer op 't rechte pad,
En richtte hunne schreden
Naar een gewenste stad.
Laat zulken voor den HEER',
Zijn milde gunstbewijzen,
Zijn wondren, Hem ter eer,
Voor 't ganse mensdom prijzen!
5
Dewijl Hij hen verzaadde,
Die dorstten, en met goed
Den honger uit genade,
Vervuld' in overvloed.
Daar z' in die bitterheen
Den dood voor ogen zagen,
Van allen kant bestreen,
Deed God hun heillicht dagen.
6
Zij, die gebonden zaten,
In schaduw van den dood,
Omdat zij God vergaten,
Vervielen in dien nood.
Toen werd hun wreevlig hart
Verneerd door zwarigheden;
Zij struikelden, hun smart
Werd hulpeloos geleden.
7
Doch, riepen z' in d' ellenden
Den HEER' ootmoedig aan,
Hij deed hun angsten enden,
En hen 't gevaar ontgaan.
Hij hielp hen uit den nood;
Hij bracht hen uit het duister
Der schaduw van den dood:
Hij brak hun band en kluister.
8
Laat zulken eer bewijzen
Aan 's HEEREN gunst en macht,
En al Zijn wondren prijzen
Voor 't menselijk geslacht;
Hij was 't, voor Wien gereed
De koopren deuren weken,
Die ijzren grendlen deed
In duizend stukken breken.
9
De zotten overtreden,
En krijgen hunne straf;
Om d' ongerechtigheden
Mat plaag op plaag hen af.
Zij walgden zelfs van brood,
Geen beste spijzen smaakten;
Terwijl zij vast den dood
Met schrik en vrees genaakten.
10
Doch riepen z' in d' ellenden
Den HEER' ootmoedig aan,
Hij deed hun angsten enden,
En hen 't gevaar ontgaan.
Hij zond Zijn krachtig woord,
Hij deed hen bij zich schuilen,
Bracht hun genezing voort
En rukte z' uit hun kuilen.
11
Laat zulken eer bewijzen
Aan 's HEEREN gunst en macht,
En al Zijn wondren prijzen
Voor 't menselijk geslacht.
't Lofoffer word' om strijd
Hem juichend opgedragen,
Terwijl zij wijd en zijd
Van al Zijn werk gewagen.
12
Zij, die de zee bevaren
Met schepen, rijk bevracht,
Zien op de grote baren
Gods wijsheid, gunst en macht;
Daar leren zij de daan,
Des HEEREN klaar bemerken
En in de diepe paan
Zijn grote wonderwerken.
13
Hij wekt, met slechts te spreken,
Een stormwind voor hun oog.
Dan beeft het al, dan steken
De golven 't hoofd omhoog.
Nu ziet men 't schip de lucht,
Dan weer den afgrond naadren.
Hun hart geeft zucht op zucht,
Hun bloed verstijft in d' aadren.
14
Zij dansen, wagglen, vallen,
Gelijk een dronken man.
De wijsheid van hen allen,
Hoe groot, bezwijkt er van.
Doch, toen zij, in 't gebed,
Tot Isrels HEER' zich wendden,
Heeft hen Zijn arm gered,
Uit angsten en ellenden.
15
Hij doet den storm bedaren;
De golven zwijgen stil.
Nu rijst de vreugd; de baren
Zijn effen op Gods wil.
Nu wijkt verslagenheid,
Na zoveel angstig slaven,
Daar God hen veilig leidt
In hun begeerde haven.
16
Laat zulken eer bewijzen
Aan 's HEEREN gunst en macht
En al Zijn wondren prijzen,
Voor 't menselijk geslacht,
En dankbaar, bij 't gemeen,
God hun Verlosser noemen,
En bij 's lands Overheen
Zijn Naam en deugden roemen!
17
Nu stelt God waterbeken
Tot bar en dorstig land,
Herschept in dorre streken
Rivieren door Zijn hand;
Hij stelt een vruchtbaar oord
Tot woest' en zoute gronden,
En straft ze, naar Zijn woord,
Die daar Zijn wetten schonden.
18
Dan maakt Hij weer woestijnen,
Zeer rijk aan vruchtbaar nat;
Daar 't land, dat eerst moest kwijnen,
Nu beek bij beek bevat,
En hongerigen voedt,
Die nu de weeld' aanschouwen;
Zodat zij daar met spoed
Een stad ter woning bouwen.
19
Daar ziet men hen dan zaaien;
De wijngaard wordt geplant.
Zij mogen rijklijk maaien
De vruchten van het land.
Daar God Zijn zegen geeft,
En 't huis vervult met kindren,
En 't vee, dat ieder heeft,
Op 't veld niet doet vermindren.
20
Maar wil dit volk niet bukken
Voor God, 't wordt ras verneerd;
't Raakt t' onder door verdrukken,
Het wordt van 't kwaad verteerd;
Daar Hij zelfs prinsen slaat,
Op wie Hij hoon doet dalen
En die Hij tot een smaad
Doet in het woeste dalen.
21
Maar die nu hulploos kermen,
Verdrukt en vol gebrek,
Brengt God door vrij ontfermen
Haast in een hoog vertrek.
De vruchtbaarheid verheugt
Hun huis van ganser harte.
D' oprechten zien 't met vreugd,
Maar d' ondeugd zwijgt met smarte.
22
Wie wijs is, merk' die dingen
En geev' verstandig acht
Op 's HEEREN handelingen,
Zo vol van gunst als macht!

Datheen

1
Wilt God lof en eer geven,
Groot is Zijn vriend'lijkheid,
En Zijn goedheid verheven
Blijft in der eeuwigheid.
Zij die vrij zijn gekocht,
Zullen Zijn Naam verklaren,
En die God heeft gebrocht
Uit angst en groot' bezwaren.
2
Hij brengt dat volk te zame,
Uit 't oost en 't westen breed
En uit 't noord onbekwame,
En ook uit 't zuiden heet;
Zo zij dolen meteen
In onbegaande wegen,
Ende toch vinden geen
Plaatse hun welgelegen.
3
Zo zij door 's hongers krachten
En met dorst zijn gekweld,
En dat schier ook versmachten
Ziel en lijf op dat veld;
Zo zij dan God zeer goed
Bidden in haar ellenden,
Hij zal Hem met der spoed
Haast tot haren troost wenden.
4
Hij brengt ze dan zeer goedig
Op enen rechten pad,
Totdat ze komen spoedig
In een bewoonde stad.
Alsdan zingen zij rein
Gods goedheid, die zij prijzen;
Van Zijn wond'ren niet klein
't Volk zij fijn onderwijzen.
5
De Heer verkwikt dat harte,
Dat van dorste vergaat;
Dat ook lijdt 's hongers smarte,
Van Hem zijn spijs ontvaat;
Zij die gevangen zijn
In moordkuilen verstoten,
Vol van angst, vrees en pijn,
In ketenen gesloten.
6
Omdat ze niet betrachtet
Hadden des Heeren woord,
Maar hadden stout verachtet
Gods gebod voort en voort.
Doch als zij zijn in nood
En ootmoediglijk klagen,
En in lijden zeer groot
Benauwd zijn en verslagen.
7
Zo zij bidden den Heere
In al haar lijden zwaar;
Haar kruis, om Zijns Naams ere,
Weert Hij hen haast daarnaar.
Uit de moordkuilen fel,
Uit angst en ook uit schanden
Verlost Hij die zeer snel,
En uit ijzeren banden.
8
Gods goedheid, die ze prijzen,
Alsdan zingen zij rein;
't Volk zij fijn onderwijzen
Van Zijn wond'ren niet klein.
Omdat Hij breekt meteen
Al de metalen deuren,
En grendels slaat aan twełn,
Door Zijn kracht tot die uren.
9
Die met kruis zijn beladen
Om harer zonden stank,
En zijn om haar misdaden
Uitdrogende zeer krank.
Als zij in zulk geval
Niet eten tot dien stonden,
Maar werpen 't uit met al,
En zijn half dood bevonden;
10
Zo zij bidden den Heere
In al haar lijden zwaar;
Haar kruis, om Zijns Naams ere,
Weert Hij hen haast daarnaar.
Als Hij spreekt een woord goed,
Gezondheid zij verwerven;
Daardoor zijn zij behoed
Van den dood en 't verderven.
11
Gods goedheid, die ze prijzen,
Alsdan zingen zij rein,
't Volk zij fijn onderwijzen
Van Zijn wond'ren niet klein.
Zij doen God t' Zijner tijd
Dankofferen bekwame,
En melden zeer verblijd
Met vreugd' Zijn doen al t' zame.
12
Die in galeien blijven
Ter zee hier ende daar,
Ende te water drijven
Haren handel eenpaar,
Die zien altijd zeer wel
Gods wonderlijke werken,
In 't meer vol baren fel
Kunnen ze die bemerken.
13
Als God beveelt de winden,
Zij blazen met geweld,
Zodat men haast kan vinden
't Meer met baren ontsteld.
Zij varen hoog zeer haast,
Dan vallen ze te gronden,
Dat het volk wordt verbaasd,
En half dood schier bevonden.
14
Zij suizelen en vallen,
Als dronkaards in 't gemeen,
En verliezen met allen
Zin en verstand meteen.
Zo zij dan God zeer goed
Bidden in haar ellenden,
Hij zal Hem met der spoed
Haast tot haren troost wenden.
15
Hij maakt de winden stille;
De baren zo men ziet,
Moeten naar Zijnen wille
Stil zijn en roeren niet.
De tempeesten stilt Hij,
Dat zij met blijdschap slaven,
En brengt ze daarna vrij
In een gewisse haven.
16
Gods goedheid, die ze prijzen
Alsdan zingen zij rein,
't Volk zij fijn onderwijzen
Van Zijn wond'ren niet klein.
Bij 't volk zonder verdrag
Gods Name zij vereren,
En doen daarvan gewag
Bij eerzame raadsheren.
17
Hem, die de waterstromen
Maakt een droge woestijn,
En de beken alomme
Gans uitgedroogd doet zijn;
Die dat aardrijk vruchtbaar
Plaagt met onvruchtbaarheden,
Om de mensen die daar
In drijven haar boosheden.
18
Die den dorren aardrijke
Geeft waters overvloed,
Op heiden desgelijke
De beken lopen doet;
En daar bijeen verzaamt
't Volk met honger beladen;
Die steden zeer vernaamd
Daar bouwen zonder schaden.
19
Die daarna 't veld bezaaien,
Planten ook wijngaard zoet,
Daarvan zij daarna maaien
Jaarlijks de vruchten goed,
Daar werden zij verzaad,
Zij nemen toe en bloeien;
Men ziet in zulken staat
Haar vee wassen en groeien.
20
Dan werden zij geminderd
En zeer klein in getal,
Door tegenheid gehinderd
En door nood overal.
Rijk, edel, zeer vernaamd,
Werden verstrooid te malen;
In omwegen beschaamd,
Achter landen zij dwalen.
21
Toch helpt God en bevrijdet
D' armen uit tegenspoed,
Zijn zaad gebenedijdet
God, gelijk schaapkens goed.
De vromen, die dit zien,
Verheugen onverdroten;
Maar de godd'lozen vlien
Met den mond toegesloten.
22
Die wijs is zal zulks achten,
En dit al gadeslaan,
En Gods goedheid betrachten;
Zo zal hij die verstaan.

Overige
Gereformeerd kerkboekLooft, looft de HEER gestadig
Liedboek 1973Gods goedheid houdt ons staande
Marnix van St. AldegondeLooft end' prijst God ghenadich,
Bladmuziek

categorie:
arrangeur:

Vocale tegenstem, Instrumentale tegenstem
E. Egberts
partituur  midi
voor bes instrument  

opmerking:

canon

categorie:
arrangeur:

Vocale tegenstem
E. Egberts
partituur  midi
voor bes instrument  

categorie:
arrangeur:

1 instrument + begeleiding
R. Sikkema
partituur  midi

Afbeelding
Video
Hieronder staan een aantal video's. Hier kunnen video's tussen staan die niets met deze psalm te maken hebben.

┬ę juichtaarde.nl

Looft de Here, alle gij volken, prijst Hem, alle gij natiën
tekst & muziek: Michiel Spijker (o.a. Opwekkingsbundel 54)