Psalm 106

Terug naar psalm overzicht

Info
 

Melodie

midi bestand
1773

1
Looft God, den trouwen Opperheer!
Geeft, geeft Hem vrolijk roem en eer,
Wiens goedheid perken kent, noch palen.
Maar wie, hoe hoog verlicht hij zij,
Wie kan Zijn mogendheen verhalen,
Zijn lof verbreiden naar waardij?
2
Welzalig elk, die 't recht betracht,
Die, t' allen tijd', Zijn wetten acht.
O HEER', laat mij, naar 't welbehagen,
Dat G' in Uw volk steeds hebt getoond,
Ook roem op Uw bescherming dragen,
En met Uw zegen zijn bekroond.
3
Geef dat mijn oog het goed' aanschouw',
't Welk Gij, uit onbezweken trouw,
Uw uitverkoornen toe wilt voegen;
Opdat ik U mijn rotssteen noem',
En delend in Uws volks genoegen,
Mij met Uw erfdeel blij beroem'.
4
Wij hebben God op 't hoogst misdaan;
Wij zijn van 't heilspoor afgegaan.
Ja, wij en onze vaadren tevens,
Verzuimend' alle trouw en plicht,
Vergramden God, den God des levens,
Die zoveel wondren had verricht.
5
Onz' ouders, in Egypteland,
Beveiligd door Zijn sterke hand,
Vergaten al Zijn gunstbewijzen;
Zij morden aan de Rode Zee,
In plaats van 's HEEREN gunst te prijzen;
Dies dreigde hen een zwaarder wee.
6
Doch om Zijns Naams wil, om Zijn macht
Te tonen aan dit dwaas geslacht,
Schold Hij de zee, dat z' uit moest drogen;
Hij deed hen langs haar gronden gaan,
En toond' aan 's vijands heir 't vermogen,
Dat hun in nood had bijgestaan.
7
De waatren keerden in hun kolk;
Waar paard en ruiter, vorst en volk,
Tot een toe, in den vloed versmoorden.
Toen had gans Isrel juichensstof,
Toen, toen geloofden z' aan Gods woorden,
Toen zong al 't volk des Hoogsten lof.
8
Maar zij vergaten 's HEEREN werk;
Zij stelden hunnen God een perk.
Zij wilden in Hem niet berusten,
Maar durfden in de wildernis,
Zijn macht beproeven, door hun lusten,
En 't hunkren naar Egypte 's dis.
9
Toen heeft Hij hen met vlees gevoed.
Maar zond hun ziel, bij d' overvloed,
Een magerheid, die z' uit deed teren.
Zij dorsten Mozes 't hoog bewind,
En Aron 't priesterambt des HEEREN,
Benijden, door hun waan verblind.
10
Maar 't aardrijk opende zijn mond,
Waarmee 't Abirams volk verslond,
En Dathans snode vloekverwanten.
Een vuurgloed stak de tenten aan
Van 't goddloos rot, aan alle kanten,
En deed het door de vlam vergaan.
11
Zij maakten zich, den HEER' ten spot,
Een kalf bij Horeb tot een god,
Waarvoor zij zich eerbiedig bogen.
Een os, die gras eet op het veld,
Een beeld, o gruwel in Gods ogen,
Werd toen aan Hem gelijk gesteld.
12
Hun hart vergat den Opperheer,
Hun dierbren Heiland, die weleer
Hen redde van d' Egyptenaren;
Die wondren deed in 't land van Cham,
Zich vreeslijk maakt, in 't ruim der baren,
En Faro 't levenslicht benam.
13
Toen dreigde God hen met den dood,
En nimmer waren z' in dien nood
Zijn hooggeduchte wraak ontweken,
Zo Mozes, Zijn verkoren held,
Zich niet bij God, met ernstig smeken,
Voor hen had in de bres gesteld.
14
Zij hebben 't langgewenste land
Versmaad uit strafbaar onverstand,
En niet geloofd aan 's HEEREN woorden.
Zij morden daaglijks in hun tent,
Dewijl zij naar Zijn stem niet hoorden,
Hoe duidlijk ook aan hen bekend.
15
Dies zwoer d' Almachtige, dat Hij
Die snoden in de woestenij
Zou nedervellen en verderven;
Ja, dat Hij hen, met al hun zaad,
Zou bij de heidnen om doen zwerven,
Van elk gevloekt, van elk versmaad.
16
Zij hebben zich voor 't vloekaltaar,
Verleid door Moabs dochtrenschaar,
Tot Baal Peors dienst begeven.
Zij aten 's afgods offerand'
Doch 't kostt' aan duizenden het leven;
Gods wraak ontstak in fellen brand.
17
Toen weerde Pinehas den straf,
Die moedig 't recht voldoening gaf,
En 't eerloos bloed langs d' aard deed stromen.
Die daad, ten zoen voor 't volk volbracht
Deed hem een eeuwig' eer bekomen,
Die stand hield bij zijn nageslacht.
18
Zij tergden, twistend Gods gena,
Bij 't wonderwater Meriba
Verbitterden den knecht des HEEREN.
Hij sprak in onbedachtzaamheid;
Dies moest hij 't vruchtbaar land ontberen,
Den gansen volke toegezeid.
19
Zij spaarden volken, tot Gods hoon,
Die Hij bevolen had te don,
En aan der heidnen stam verbonden,
Vervielen zij tot afgodsdienst,
En wrochten door gelijke zonden
Zichzelf een strik, op 't onvoorzienst.
20
Men zag hen zelfs, door drift verblind,
Hun dierbaar kroost, hoe teer bemind,
Den duivelen ten offer brengen.
Men zag hen, trouwloos en verwoed,
Op Kanans vloekaltaren plengen
Der kinderen onschuldig bloed.
21
Die onnatuurlijk' offerand',
Die bloedschuld, bracht een smet op 't land;
Zij werden onrein door hun daden,
Door hoererij en vuil gedrag.
Zij durfden Isrels God versmaden,
Maar beelden toonden zij ontzag.
22
Dit alles spoorde God tot wraak;
Zijn volk, Zijn erf, Zijn hoogst vermaak,
Werd nu een gruwel in Zijn ogen;
Hij gaf hen in der heidnen macht,
Waardoor zij zonder mededogen,
In slaafse keetnen zijn gebracht.
23
Hun vijand heeft hen wreed verdrukt;
Zij lagen jammerlijk gebukt;
En schoon d' Algoedheid, op hun smeken,
Hun rampen dikwijls heeft geweerd,
Zij zijn weer telkens afgeweken,
En door hun zonden uitgeteerd.
24
Nochtans was God met hen begaan;
Hij zag hun angst, hun tranen aan,
En hunner hateren verwoedheid;
Hij dacht aan Zijn gestaafd verbond,
En had berouw, naar al Zijn goedheid,
Meedogendheid met Isrels wond.
25
Dies hebt G', o God, hun last verlicht,
Zelfs voor huns vijands aangezicht.
Verlos ons ook, als onze vaadren;
Wil ons, nog overal verspreid,
Genadig weer bijeen vergaadren;
Zo word' Uw Naam en roem verbreid.
26
Geloofd zij Isrels grote God!
Zijn gunst schenk' ons dit heilgenot;
Zo zullen wij Zijn goedheid danken.
Dat al wat leeft, Hem eeuwig eer'!
Al 't volk zegg' "Amen" op mijn klanken;
Juich, aarde, loof den Opperheer!

Datheen

1
Dankt God, want Hij is vriendelijk,
En Zijn goedheid duurt eeuwiglijk.
Waar is hij, die toch kan uitspreken
Des Heeren wonderwerken al?
En Zijn grootdaden, klaar gebleken,
Genoegzaam kunnen prijzen zal?
2
Wel dien, die houdt Uw gebod goed,
En in alle dingen recht doet.
Gedenk mijns, Heer, naar Uw genade
En naar Uwe vriendelijkheid;
Laat mij toekomen vroeg en spade
Uwen bijstand en goedigheid.
3
Dat wij zien en horen gemein
't Heil Uwer uitverkoor'nen rein;
En ons daarin mogen verblijden,
Dat het Uwen volke welgaat;
Dat ik mag roemen t' allen tijden
Met Uw erfdeel in dezen staat.
4
Wij en onze vaders meteen
Hebben U vergramd groot en kleen;
Gans verkeerd zijn, Heer, onze wegen,
Wij zijn trouw'loos aan U gaar zeer;
Onz' vaders in Egypte plegen
Uw werken te vergeten, Heer.
5
Zij en hebben niet recht bedacht
Uwer goedheid zeer grote kracht;
Maar aan de zee zijn zij al t' zame
Den Heere geweest zeer rebel;
Doch Hij hielp ze (door Zijnen name
En door Zijn macht) en niemand el.
6
Hij heeft gestraft de zee zeer wijd,
Zij werd droog en des waters kwijt;
Hij voerde ze door dat meer krachtig,
Als door een woestijne zeer breed;
En hielp ze door Zijn hand almachtig
Van al haar vijanden zeer wreed.
7
Hij heeft ze los en vrij gesteld
Van harer vijanden geweld.
In 't meer zijn die alle verzopen,
Die Zijn volk haten, 't welk heeft fijn
God vertrouwd, en met grote hopen
Geloofd en geroemd den God zijn.
8
Maar zij hebben vergeten zaan
De werken, die God had gedaan;
Zijnen raad zij niet en verwachten,
Maar werden in de woestijn daar
Belust, en hebben met verachten
God getergd en gelasterd zwaar.
9
Hij gaf hun harer harten lust,
Dat haar begeerte werd geblust;
Maar z' hebben haast den walg gekregen.
Zij hebben Mozes wederstaan,
En ook Aron allerwegen,
Die de heil'ge kleders had aan.
10
Onder Dathan ging 't aardrijk op,
En viel Abiram op den kop.
't Vuur werd haast onder hen ontsteken,
't Welk de bozen heeft verbrand gaar;
En tot Oreb gans afgeweken,
Maakten en dienden 't kalf daarnaar.
11
Zo waren zij verdwaald gans zeer,
En hebben God, D'welk was haar Heer',
Bij een weidende kalf geleken;
En de werken vergeten snel,
Die God had met kracht onbezweken
In Egypte gedaan zeer wel.
12
Zijn daden vergaten zij haast,
Die toch 't land Cham maakten verbaasd;
En ook al Zijne wonderwerken,
Die bij 't Rode Meer zijn geschied.
Daarom liet God Zijn gramschap merken,
En wilde 't volk brengen tot niet.
13
Maar Mozes, Gods verkoren knecht,
Heeft hem tussen beiden gelegd,
En Gods toornigheid afgewendet,
Zodat Hij Zijn straffen naliet,
Dat Zijn volk niet gans werd geschendet,
Met zoveel plagen en verdriet.
14
Zij verachtten 't beloofde land,
Vol goederen aan elken kant;
Zijne woorden zij niet vertrouwden;
Maar murmureerden voor en naar,
In de hutten, die zij hen bouwden;
En verachtten Gods stemme klaar.
15
Daarom hief de Heer op Zijn hand
Tegen hen, en heeft ze met schand'
Met hopen ter neder geslagen.
Onder de volkeren aldaar,
Zijn zij met haar zaad door veel plagen
Verstrooid in Gods toorne zeer zwaar.
16
Bal-peor hingen ze aan,
En hebben te eten bestaan
Der doden afgoden off'randen,
Zij maakten God met haar doen gram,
Dies nam ze de Heer uit de landen,
In den toorn die over hen kwam.
17
Toen kwam Pinehas met der daad,
En strafte een zulk schand'lijk kwaad.
Daarmee werden gestild de plagen;
Welke werk van God was geacht
Voor een werk naar Zijn welbehagen,
In der gerechtigheid volbracht.
18
Zij vergramden ook God altijd
Aan 't twistwater met haren strijd;
Mozes zij ook jammerlijk plaagden,
Bedroefden hem zo zeer zijn hart;
Dat hij wat sprak, 't welk God mishaagde,
Door ongeduldigheid en smart.
19
De heidenen, zo God beval,
Brachten zij niet om overal.
Maar spaarden die, 't welk was verboden;
En leerden doen haar boosheid groot;
Zij dienden haar vervloekt' afgoden,
Die hun waren enen aanstoot.
20
Den veldduivelen zeer onrein,
Hebben zij geofferd gemein
Haar zonen en dochteren t' zamen;
Zij vergoten 't onschuldig bloed
Harer kinderen, in de namen
Der afgoden in overvloed.
21
Zij hebben 't land met bloed bedekt
Der onschuldigen en bevlekt
Met haar onreinheid niet om lijden;
Zij hebben schand'lijk geboeleerd,
En dagelijks aan alle zijden
Met de afgoden gehoereerd.
22
God werd over 't volk zeer beroerd,
Dat Hij zo wijd hadde gevoerd,
En kreeg een walging Zijner erven.
Dies gaf Hij Zijn volk in de macht
Der heidenen, die haar verderven
En verdrukking zochten met kracht.
23
Haar haters hebben z' onder voet
Gehad en gebracht tot ootmoed.
God maakte ze vrij onbeladen;
Maar zij dreven moedwilligheid;
Niet ter wereld konde hen schaden,
Dan alleen haar eigen boosheid.
24
Toch aanzag de Heer in den nood
Zijn volk, en uit genade bloot
Hoorde Hij haar bidden en klagen.
Aan Zijn verbond heeft Hij gedacht,
En Zijns toorns heeft Hij leed gedragen,
Naar Zijn goedheid zeer hoog geacht.
25
Bij hen, daar Zijn volk was gevaan,
Vonden zij gunst van stonden aan.
Wil ons, Heer, goediglijk bevrijden,
En verlossen door Uwen Naam
Van de heidenen t' allen tijden;
Zo zullen wij U prijzen t' zaam.
26
Geloofd zij God van Isral
In eeuwigheid en niemand el;
Hij zij altijd heerlijk geprezen!
Dies moet het volk spreken verheugd;
Het moet alzo eeuwiglijk wezen,
God zij alzins geloofd met vreugd!

Overige
Gereformeerd kerkboekLooft nu den HEER, want Hij is goed
Liedboek 1973Looft nu den Heer, want Hij is goed
Marnix van St. AldegondeLooft God: want hy is vriend'lijck seer:
Bladmuziek
Van deze psalm zijn er geen muziekbewerkingen.
Afbeelding
Video
Hieronder staan een aantal video's. Hier kunnen video's tussen staan die niets met deze psalm te maken hebben.

© juichtaarde.nl

Jezus Christus, Heer der heren, heel de aard' zal U vereren;
U, de Koning van 't heelal, die was en is en komen zal
tekst & muziek: Henk J. Hazeleger (Opwekkingsbundel 435)