Psalm 104

Terug naar psalm overzicht

Info
 

Melodie

midi bestand
1773

1
Waak op, mijn ziel, loof d' Oppermajesteit!
Wat zijt Gij groot, wat spreidt Uw heerlijkheid,
Geduchte God, al luisterrijke stralen.
Zij baart ontzag door al de hemelzalen.
Het blinkend licht bedekt U als een kleed.
De hemel, dien G' als een gordijn verbreedt,
En uitspant voor Uw Goddelijke woning,
Verbergt voor d' aard' Uw prachtigste vertoning.
2
Gij zoldert in de waatren Uwen troon;
De wolken, steeds gereed op Uw geboon,
Op 't hoogst vereerd, dat zij haar Koning dragen,
Verstrekken U als tot een zegewagen.
Gij wandelt op de vleuglen van den wind,
Dien G' als 't heelal aan Uwen dienst verbindt.
Een geestenheir maakt Gij Uw afgezanten,
Een vlammend vuur Uw trouwe rijkstrawanten.
3
Uw wonderkracht heeft in den morgenstond
Des vluggen tijds, deez' aarde vast gegrond.
Wat in haar kreits ooit wanklen moog' of wijken,
Zij zal, door U gevestigd, nooit bezwijken.
Zij, die ten blijk van Uwe macht verstrekt,
Was eertijds met den afgrond overdekt,
Als met een kleed. De hoogte van de golven
Hield al 't gebergt' in 't grondloos diep bedolven.
4
De Godheid sprak en donderd' in de lucht.
De woeste zee, verschrikt door 't sterk gerucht,
Vlood haastig heen naar 't perk, haar aangewezen.
Het log gevaart' der bergen, opgerezen,
Vertoonde 't eerst zijn korts onzichtbren top,
En hief alom de fiere kruinen op.
't Ontelbaar tal van vruchtbre dalen daalde,
Ter juister plaats, die Gods bevel bepaalde.
5
D' ontembre zee houdt stand, waar 't God gebiedt.
Zij overschrijdt de vaste stranden niet;
Zij ziet haar macht door hoger macht betomen,
En zal deez' aard' nooit weder overstromen.
Gods goedheid zendt de koele bronnen uit.
Zij wandelen, met ruisend stroomgeluid,
De bergen om, en dwalen en verspreien
Zich wijd en zijd door beemden en valleien.
6
Het nuttig vee en 't roofziek bosgediert',
Zelfs d' ezel, die door woeste wouden zwiert,
Die ongetemd, zich kreunt aan juk noch koorden,
Vindt lafenis aan hare frisse boorden.
't Gevogelte, dat in zijn snelle vlucht
De vlerken klapt en opstijgt naar de lucht,
Of uit het loof zijn schelle stem laat horen,
Heeft aan haar zoom zijn woningen verkoren.
7
't Is God, Wiens hand den bergen water schenkt,
Den drogen grond uit Zijnen hemel drenkt,
Den regen geeft uit Zijne hoge zalen,
En vruchtbaarheid doet zweven in de dalen.
Dan schiet voor 't vee de teedre grasscheut uit;
Tot 's mensen dienst ontluikt dan 't geurig kruid;
Dan spruit het brood, nog in den halm besloten,
Uit d' aarde voort, door milden dauw begoten.
8
God geeft den wijn, tot vreugd voor 't hart bereid,
En d' olie, die een glans op 't aanschijn spreidt,
En 't lieflijk brood, dat onze kracht moet voeden:
Hij wil ons dus verkwikken en behoeden.
't Is God alleen, die door Zijn sterke hand
Den Libanon met cederen beplant,
't Geboomte voedt en kracht schenkt, onder 't kweken,
Aan 't lommrig woud, aan schaduwrijke streken.
9
Het vogelte vindt schuilplaats in hun loof,
En vormt zijn nest uit zijn vergaarden roof.
De dennen zijn, daar z' opgaan als pilaren,
Het steil verblijf der kleppend' ooievaren.
De steenbok springt en klautert, van den top
Des heuvels, tot de kruin der bergen op.
De hoge rots houdt in verborgen holen,
Het schuw konijn voor ons gezicht verscholen.
10
De gouden zon weet, waar zij schuil moet gaan;
De wisseling der wisselende maan,
Aan tijd en loop op 't wonderbaarst verbonden,
Verschijnt ons oog op haar bepaalde stonden.
Gij, HEER', beschikt door Uw geduchte macht,
De duisternis, en 't wordt op aarde nacht;
Wanneer 't gediert' door woud en veld mag dwalen,
Om voedsel voor het hongrig nest te halen.
11
Het donker bos weergalmt op 't hees geschreeuw
Van leeuwenwelp en fieren jongen leeuw,
Die, heet op roof, in afgelegen hoeken,
Al brullend, spijs van God, den Gever, zoeken.
Maar op de komst van licht en dageraad,
Op 't zien der zon in 't luisterrijk gewaad,
Keert elk van hen naar zijn verborgen kuilen,
Daar zij, verzaad, zich voor ons oog verschuilen.
12
Dan wordt de mens door 't rijzend morgenlicht
Gewekt, gewenkt tot arbeid, tot zijn plicht;
Hij plant, hij bouwt; men ziet hem zwoegen, draven;
Tot 's avonds toe laat hij niet af van slaven.
Hoe schoon, hoe groot, o Oppermajesteit,
Is al Uw werk, gevormd met wijs beleid!
Uw wijsheid streelt oplettende gemoedren;
Al 't aardrijk is vervuld met Uwe goedren.
13
D' onpeilbre zee bergt in haar ruimen schoot
Een talloos tal van schepslen, klein en groot,
Die in haar diept' al weemlend zich vergaren.
Het golvend ruim der rusteloze baren,
Wordt steeds doorkruist van schepen, wijd en zijd;
Daar zwemt en duikt het schubbig heir om strijd;
Daar laat Gij zelfs den Leviathan spelen,
Den schrik der zee in deze vreugde delen.
14
Wat in de lucht, op d' aard', in 't water leeft,
't Wacht al op U, die elk zijn spijze geeft;
't Wacht al op U, die alles kunt behoeden.
Als Uwe gunst al 't schepslenheir wil voeden,
En liefderijk aan hunne nooddruft denkt,
Vergaadren zij den voorraad, dien Gij schenkt,
En worden door Uw goedheid mild bejegend,
Elk op zijn tijd, in overvloed gezegend.
15
Verbergt G', o God, Uw glansrijk aangezicht,
Dan siddren zij op 't missen van dat licht,
Dat troostrijk licht, waardoor zij 't licht verwerven.
Neemt Uwe hand hun adem weg, zij sterven;
Zij worden stof, gelijk zij zijn geweest.
Bezielt Gij hen door 't zenden van Uw Geest,
Dan ziet men hen weer leven als tevoren;
Dan wordt al d' aard met nieuwen glans herboren.
16
De heerlijkheid der hoogste Majesteit
Zij hoog geroemd en duur' in eeuwigheid;
Zij blink' alom en kenn' noch paal noch perken!
Dat zich de HEER' verblijd' in al Zijn werken.
Het aardrijk schudt, als God in gramschap blaakt;
Wanneer Zijn hand de hoge bergen raakt,
Slaan zij terstond aan 't sidderen, aan 't roken,
Inwendig door Gods almacht aangestoken.
17
Ik zal, zolang ik 't levenslicht geniet,
Gods mogendheid verheffen in mijn lied.
Ik zal mijn God met lofgezangen eren,
Terwijl ik nog op aarde mag verkeren.
Mijn aandacht zal op Hem gevestigd staan,
En met vermaak Zijn grootheid gadeslaan;
Ik zal mij in den God mijns heils verblijden,
En dag op dag aan Hem mijn psalmen wijden.
18
De zondaar zal verdelgd zijn op Gods wenk,
De boosheid zal vergaan, eer 't iemand denk'!
Waak op, mijn ziel, wil uwen Schepper eren;
Gelooft zij God; men loov' den HEER der heren!

Datheen

1
Welaan, mijn ziel, gij moet God prijzen zeer;
Och, hoe groot en hoe heerlijk is nu, Heer,
Uwe goedheid overal uigebreidet!
Gij zijt met heerlijkheid en eer bekleidet.
Gij zijt met klaarheid ganselijk bedekt,
Als waar' een kleed over U uitgestrekt;
Tot een tente hebt Gij des hemels trone,
Dien Gij uitspant als een gordijne schone.
2
Gij welft Uwe kamers met water rein;
De wolken zijn Uwe wagens niet klein;
De winden, drijvende naar Uw behagen,
Trekken met haar vleugelen Uwen wagen,
Van de winden, die licht zijn ende snel,
Maakt Gij Uwe posten en boden wel;
Vuur en tempeest zijn de dienaars bekwame
Uwer gerechtigheid alle te zame.
3
Gij hebt d' aard in haren pas vast in 't rond
Onbeweeglijk en ordent'lijk gegrond;
Zodat zij niet beweegd kan zijn ter zijden,
Maar blijft stedes vast staande t' allen tijden.
Te voren was dat gans aardrijke breed,
Overgedekt als met een zeer schoon kleed,
Door 't water 't welk daarover is gedreven
Boven de bergen, die hoog zijn verheven.
4
Maar zo haast als Gij die aanspraakt zeer straf,
Zijn zij gevloden en gelopen af,
En voor de stem Uwes donders zeer krachtig
Zijn zij zamen geweken, Heer almachtig.
De bergen, die zeer hoog verheven zijn,
En de diepe dalen schoon, groen en fijn,
Zijn tot de plaatsen haast'lijk voortgevaren,
Die hen van U voortijds bereidet waren.
5
Gij hebt de palen des meers gemaakt vast,
Daar 't niet over en komt, noch ook en wast;
Opdat het niet meer bedekte 't aardrijke,
Deedt Gij, Heer, dat heerlijk werk desgelijke.
Gij deedt 't water in de dalen aldaar,
En liet springen schone fonteinen klaar,
Die zeer liefelijk langs de bergen vlieten,
En met gerucht in de dalen voortschieten.
6
Opdat alzo alle beesten op 't veld
Drinken mochten, zijnde met dorst gekweld;
En dat in de beken en de rivieren,
Hen verkwikken alle de wilde dieren.
Aan de beken en alszins daaromtrent,
Wonen de vogelkens elk aan zijn end,
Die tussen de takken der bomen springen,
En liefelijk met zoete stemmen zingen.
7
Gij maakt de stenige bergen eenpaar,
Door Uw kracht van boven vocht en vruchtbaar;
Zodat 't aardrijk vol vruchten is niet kleine,
Die Gij verleent den mensen in 't gemeine.
Gij doet 't gras wassen op berg en in dal,
Opdat het vee daarvan mag leven al;
Gij laat dat zaad voortkomen uit der aerde,
Daarmee dat ook de mensen gevoed werden.
8
Den wijn, die 't harte des mensen maakt blij,
En brood ook om hen te sterken geeft Gij;
Gij wilt Hem daartoe met olie beschinken,
Opdat zijn aanzicht schoon en klaar mag blinken.
De bomen wassen en zeer hoog opgaan,
De cederen die op Liban staan;
Die Uw goedheid, die niemand kan volprijzen,
Zelf heeft geplant, zo de werken bewijzen.
9
Daar maken de vogelkens haren nest,
En generen hen een ieder om best;
Op de hoge dennen, tot elke jaren.
Nestelen de wijd vliegende ooi'varen.
De bergen vol van allerlei gerucht
Zijn den geiten en hinden een toevlucht.
In holen, waar de zonne niet kan schijnen,
Behelpen hen de hazen en konijnen.
10
Wat zal ik meer zeggen? De mane klaar
Maaktet Gij, om af te delen dat jaar;
Der zonne loop hebt Gij zo afgemeten,
Dat ze haren ondergang steeds kan weten.
Van de duisternis hebt Gij door Uw kracht
Zeer wijselijk, o Heer, gemaakt den nacht;
In dewelk' ieder dier naar zijn begeren,
Hem kan roeren en overal generen.
11
Alsdan komen de jonge leeuwen voort
Uit de holen briesende zeer verstoord,
Naar enen roof lopende welgemoedet;
Dat aas geeft Gij hun, Die alle ding voedet.
Zo haast als de zonne daarna opstaat,
Een ieder van hen in zijn kuile gaat,
Daar zij blijven tot den nacht zonder zorgen
En rusten gemakkelijk in 't verborgen.
12
Alsdan gaat de mens uit zonder gevaar,
Om te volbrengen zijnen arbeid zwaar,
Om 't akkerwerk, daarmee hij is beladen,
Te doen van 's morgens vroeg tot 's avonds spade.
O God! hoe heerlijk en hoe wonderbaar
Zijn Uwe wonderwerken ver en naar.
Hoe wijselijk doet Gij toch alle zaken,
Alle creaturen Uw goedheid smaken.
13
Wie kan uitspreken tot enigen tijd,
Die dieren die hen roeren in 't meer wijd?
De grote vissen met de kleinen, plegen
Daarin te zwemmen en hen te bewegen.
Daar varen de schepen niet zonder nood;
De walvissen, die schrikk'lijk zijn en groot,
Die Gij, o Heere hebt gemaakt om velen,
Ziet men alzins in de wateren spelen.
14
Alle dieren komen, o Heer, tot U vrij,
Zij zien op U en verwachten dat Gij
Hun haar spijze geeft in bekwame tijden,
Als zij nood hebben ende honger lijden.
Zo haast als Gij dan hun haar voeder geeft,
Zij nemen dat, zodat elk daarvan leeft.
Als Gij Uw hand opent en hen beg'nadigt,
Dan worden zij met goederen verzadigd.
15
Maar als Gij van haar Uw aanzicht afwendt,
Zo verschrikken zij zeer in groot ellend';
Gij neemt, Heer, den adem ende zij sterven,
En worden stof daarin zij ook verderven,
Is 't dat nog eens Uwe adem uitgaat,
Gij doet ze weder leven met der daad,
Zo zij tevoor' waren in zulke waarde,
En vernieuwt de gestaltenis der aarde.
16
Dat nu voortaan des Heeren heerlijkheid
Vast blijve staan tot in der eeuwigheid;
De Heere wil toch met genaad' aanmerken
En aanschouwen alle Zijn schone werken.
De Heer, zeg ik, Die als Hij d' aard' aanziet,
Haar doet verschrikken, dat zij van Hem vliedt;
Die de bergen door 't woord van Hem gesproken
Haast doet beven, zweten ende zeer roken.
17
Ik wil den Heere gans mijn leven lang,
Zonder stilzwijgen prijzen met lofzang.
Mijn God wil ik, zo lang als ik zal leven,
Psalmengezang en vereringe geven.
Ik bid Hem, dat Hij mijn gebed en woord
Hem laat behagen en wezen verhoord;
't Welk zo het geschiedt, ik wil mij verblijden
In den Heer mijnen God aan alle zijden.
18
D' ongelovig' en godd'lozen bekend,
Moeten vergaan en haast nemen een end.
Welaan mijn ziel, den goeden God wil loven:
De wereld gans prijze den Heer hier boven.

Overige
Gereformeerd kerkboekMijn ziel, verheerlijk God om zijne macht
Liedboek 1973Mijn ziel, verheerlijk God om zijne macht
Marnix van St. AldegondeWaeck op mijn siel, segh lof end' prijs den Heer,
Bladmuziek

categorie:
arrangeur:

Instrumentale tegenstem
L.C. Verschoor
partituur  midi
voor besinstrument  
de viool partij  

opmerking:

Deze bewerking voor orgel en viool is gemaakt voor een trouwdienst.
Afbeelding
Video
Hieronder staan een aantal video's. Hier kunnen video's tussen staan die niets met deze psalm te maken hebben.

© juichtaarde.nl

Spreek van zijn wonderen overal, dat heel de wereld Hem prijzen zal
tekst & muziek: Stuart Townend (o.a. Evangelische liedbundel 371)