Psalm 102

Terug naar psalm overzicht

Info
 

Melodie

midi bestand
1773

1
Hoor, o HEER', verhoor mijn smeken,
Laat m' Uw bijstand niet ontbreken.
Ai, veracht mijn tranen niet,
Daar Gij al mijn angsten ziet!
Als ik, in benauwde dagen,
U, mijn God, mijn leed moet klagen,
Wil dan spoedig U ontfermen,
Wil mij door Uw macht beschermen.
2
Want mijn leeftijd is door wenen,
Als een ijdle rook, verdwenen;
Mijn gebeent', in droeven stand,
Als een haardstee uitgebrand.
Mijne ziel, door rouw bezweken,
Kwijnt, als 't gras in dorre streken;
'k Heb in mijn ellend' vergeten
Mijn gewone spijzen t' eten.
3
'k Voel de krachten mij begeven,
't Vlees aan mijn gebeente kleven,
Wegens mijn benauwde klacht,
Die ik uitstort dag en nacht.
Ik gelijk, in 't eenzaam kwijnen,
Aan den roerdomp der woestijnen,
Aan den steenuil in de wouden,
Waar geen mensen zich onthouden.
4
'k Slijt den nacht in eenzaam waken,
Als een mus op stille daken;
Daar mijn wreevle vijand raast
En door hoon mijn ziel verbaast.
Zij, die mijn bederf betrachten,
Mij den gansen dag verachten,
Mij in 't openbaar onteren,
Durven roekloos bij mij zweren.
5
D' as versterkt mijn kwijnend harte
Thans tot brood in zoveel smarte,
Daar ik mijnen drank vermeng
Met de tranen, die ik pleng.
HEER', Uw gunst had mij verheven;
Maar nu mij Uw toorn doet beven,
Zie ik mij van glans ontbloten,
Mij in 't stof terneer gestoten.
6
'k Zie in rouw en ongenuchten,
Al mijn dagen mij ontvluchten,
Als een schaduw, die verdwijnt:
Ik verdor, als 't gras, dat kwijnt.
Maar Gij, HEER', zult eeuwig blijven;
Eeuwig zal Uw roem beklijven
En Uw Naam blijft in gedachten,
Tot de laatste nageslachten.
7
Gij zult opstaan, ons beschermen,
Over Sion U ontfermen,
Want de tijd, Uw stad voorspeld,
Aan haar leed ten perk gesteld,
Die zo lang gewenste dagen
Van Uw gunstrijk welbehagen,
Zijn, o God, in 't eind geboren.
Gij, Gij zult haar klacht verhoren.
8
Reeds verlangen Uwe knechten
Hare stenen op te rechten.
Elk heeft deernis met haar gruis;
Elk toont ijver voor Gods huis.
Albestierend Opperwezen,
Dan zal 't heidendom U vrezen;
Al de vorsten neergebogen
Doen dan huld' aan Uw vermogen.
9
Als voor 't oog der nageburen,
Gods ontferming Sions muren
Weer zal hebben opgebouwd,
En 't Zijn heerlijkheid aanschouwt;
Als Zijn goedheid op de klachten
Des verdrukten en verachten
Letten zal en 't onheil weren;
Dan zal elk Hem juichend eren.
10
Dan, dan wordt Gods trouw verheven,
En Zijn dierbre gunst beschreven
Voor het dankbaar nageslacht,
Dat met lust Zijn wet betracht.
't Volk, in later eeuw geboren,
Zal Zijn macht en goedheid horen;
Zich in Zijnen roem verblijden;
Hem Zijn lofgezangen wijden.
11
't Zal met blij gejuich Hem loven,
Die uit Zijn paleis van boven,
Isrels leed en ongeval
Eens in gunst beschouwen zal,
En gevangnen in hun zuchten
Horen, als zij tot Hem vluchten;
Om hen uit de wrede kaken
Van den dood eens los te maken.
12
Dus zij 's HEEREN Naam geprezen,
En in Sion eer bewezen;
Dus hoor' elk de vreugdestem,
In het blij Jeruzalem;
Als de volken saam vergaren,
Zich met 's HEEREN erfvolk paren;
Als de koningen zich buigen,
En Hem hun ontzag betuigen.
13
Ach, de HEER' heeft mij doen bukken
Voor 't gewicht der ongelukken,
Ja, mijn levenstijd verkort,
Mij met rampen overstort.
'k Riep; "O God, mijn welbehagen,
Spaar m' in 't midden van mijn dagen!
Gij, door eeuw noch tijd te krenken,
Kunt mij hulp en uitkomst schenken."
14
't Aardrijk en de hemelbogen
Zijn gewrocht door Uw vermogen;
Alle zijn z' in hun verband,
't Kunststuk van Uw wijze hand.
Doch hoe duurzaam zij ook schijnen,
Eens zal al hun glans verdwijnen;
Maar, schoon 't alles om zal keren,
Gij blijft staand', o HEER' der heren.
15
Als een kleed zal 't al verouden;
Niets kan hier zijn stand behouden;
Wat uit stof is, neemt een end
Door den tijd, die alles schendt.
Maar Gij hebt, o Opperwezen,
Nooit verandering te vrezen;
Gij, die d' eeuwen acht als uren,
Zult all' eeuwigheid verduren.
16
Uwer knechten trouwe zonen
Zullen altoos bij U wonen;
Ja, bevestigd in hun staat,
Voor Uw aanschijn, met hun zaad,
Uwen Naam ter ere leven;
Zij, van smart en smaad ontheven,
Blijven aan Uw dienst geheiligd,
Daar Uw goedheid hen beveiligt.

Datheen

1
Wil mijn gebed, Heer, verhoren,
Laat komen tot Uwe oren
Mijn zuchten, en in den nood
Verberg U niet, hij is groot
In dezen tijd der ellenden
Wil Uw oren tot mij wenden,
En als ik U bid ootmoedig,
Verhoor mij haast, o Heer goedig!
2
Verteerd is nu mijn leven zaan,
En als rook is 't geheel vergaan;
Mijn benen zijn droog door smart
Als een vuur brandt; en mijn hart
Moet gelijk 't dorre gras werden,
't Welk gemaaid ligt op der aerde;
Zodat ik hebbe vergeten
Mijn brood en mijn spijze t' eten.
3
Vlees en benen 't zamen kleven,
Door mijn zwaar zuchten en beven;
En mijn huilen en geklag
Geduurt altijd, nacht en dag.
Den roerdomp ik gelijk schijne
Die stil woont in de woestijne;
Den steenuil ben ik geleken,
Die alleen woont gans versteken.
4
Zo d' eenzaam' musse moet waken
In stilheid onder de daken,
Zo moet ik ook voor en naar
Wakker zijn met lijden zwaar.
Dagelijks aan alle enden
Mijn vijanden mij zeer schenden;
Zij spotten mijns en uit wraken,
Van mij een spreekwoord zij maken.
5
Ik ete d' asse in 't gemein,
Als brood in mijn lijden niet klein;
Vermenget is mijn drank klaar
Met mijne tranen voorwaar,
Door Uwen toorn niet om lijden;
Want Gij, Die mij hadt voortijden
Grotelijks en zeer verheven,
Hebt mij nu te grond' gedreven.
6
Als een schaduwe vergaan snel
Mijn dagen door dit lijden fel,
Ik ben verdorret als gras,
Dat voormaals afgemaaid was.
Maar Gij zult, Heer, eeuwig blijven,
En tot den eind' vast beklijven,
En de gedacht'nis geprezen,
Uwes Naams zal eeuwig wezen.
7
Gij zult U Heer, nu (och armen!)
Opmaken en U ontfarmen
Over Sion goedertier,
Uwe woonstee; want 't is schier
Meer dan tijd om te bewijzen
Uw goedheid niet om volprijzen;
De stond' is daar, wil toch merken
En Uwe woning versterken.
8
Gaarne zagen Uwe knechten
Dat Gij de stad woudt oprechten,
Want zij ganselijk gewis
Overhoop geworpen is,
Opdat U de volken vruchten,
En voor U beven en zuchten
De koningen des aardrijken,
En U eren desgelijken.
9
't Vervallen Sion opbouwen
Zal onze God vol van trouwen,
Hij, Die ons geholpen heeft,
Ende Zijn klaarheid ons geeft;
Hij zal dat bidden en klagen
Dergenen, die schier versagen,
Verhoren en verstaan goedig,
Naar Zijn goedheid overvloedig.
10
Dat zulks toch werde beschreven,
Opdat zij, die zullen leven
Na ons, gedenken hieraan,
En den kind'ren doen verstaan.
Dat Gods volk, van Hem verkoren
En nieuw'lijk wedergeboren,
Hem love tot alle stonden
Voor deez' weldaad niet om gronden.
11
Want de Heer, naar Zijn goedheid schoon,
Heeft van boven uit Zijnen troon
Op Zijn volk genomen acht,
Dat hier onder 't kruis versmacht;
Dat Hij 't zuchten en verlangen
Hore der arme gevangen,
En vrij maak' uit des doods banden,
En Zijn volk verloss' uit schanden.
12
Opdat des Heeren Naam en eer
Bekend tot Sion werd, o Heer!
En tot Jeruzalem rein
Zijn lof verbreid zij gemein.
Als de volkeren deemoedig
T' zamen zullen komen spoedig,
En de rijken zullen eren
En dienen den Heer der heren.
13
God vernedert gans mijne kracht
Op den weg, ende heeft gebracht
Tot niet mijn dagen voorwaar;
Dies spreek ik tot Hem eenpaar:
Heer, laat mij niet zijn verslagen
In 't midden van mijne dagen;
Want steeds blijven en voortvaren,
Heer, Uwe dagen en jaren.
14
Gij hebt gemaakt vast dat aardrijk
En de hemelen al gelijk;
Door Uw kracht zeer vast zij staan,
Nochtans moeten zij vergaan.
Maar Gij zult blijven bestendig,
Daar z' oud worden en ellendig,
Als een doek zeer klein van waarde,
En 't kleed eens mensen op aarde.
15
Als een verrot kleed en gewaad
Wordt ook veranderd hare staat;
Hoe heerlijk dat z' ook nu zijn,
Vergaan toch zal hare schijn.
Maar Gij, o Heer! daarentegen
Onveranderd allerwegen,
Zult blijven in wezen krachtig,
Zonder eind een Heer almachtig.
16
Daarom zullen der oprechten,
Uwer dienaren en knechten
Kind'ren, nu en t' allen tijd
Blijven vast en zijn verblijd.
Dat zaad Uwer uitverkoren
Zal wassen en vreugd oorboren,
En zal in overvloed wezen
Rijk en vruchtbaar, Heer geprezen.

Overige
Gereformeerd kerkboekHEER, hoor mijn gebed, laat blijken
Liedboek 1973Heer, hoor mijn gebed, laat blijken
Marnix van St. AldegondeAenhoor o Heer mijn ghebeden:
Bladmuziek

categorie:
arrangeur:

Vocale tegenstem
E. Egberts
partituur  midi
voor bes-instrument  

Afbeelding
Video
Hieronder staan een aantal video's. Hier kunnen video's tussen staan die niets met deze psalm te maken hebben.

© juichtaarde.nl

Juicht de Here, gij ganse aarde,
dient de Here met vreugde
(o.a. Evangelische liedbundel 23)