Psalm 94

Terug naar psalm overzicht

Info
 

Melodie

midi bestand

Extra info

Psalm 94 heeft een onbekende wijs omdat het weinig gezongen wordt. Een goed alternatief is de melodie van psalm 105.
1773

1
Verschijn nu blinkend, God der wrake;
Dat eens Uw arm voor ons ontwake.
Vertoon Uw glansrijk aangezicht;
Gij, Rechter, die de wereld richt,
Sta op, verhef U en vergeld,
Hovaardigen hun trots geweld.
2
Hoe lang, HEER', zullen dan de bozen,
Hoe langen tijd de goddelozen
Nog hupplen, vol van dartle vreugd,
En laster braken op de deugd,
En spreken als in zegepraal,
Baldadig d' allerhardste taal?
3
't Verbrijzeld volk, o HEER', moet bukken,
Daar zij Uw erfdeel wreed verdrukken;
De zwakke weeuw, van hulp ontbloot,
Wordt met den vreemdeling gedood.
Zelfs wordt d' onnoozle wees vermoord;
Naar recht noch reden wordt gehoord.
4
Zij zeggen, stout op hun vermogen:
"De HEER' slaat op ons doen geen ogen,
De God van Jakob merkt het niet."
Let, onvernuftigen, en ziet;
Blijft g' eeuwig van verstand beroofd,
Gij, dwazen, die het licht verdooft?
5
Zou dan de Schepper, die onz' oren,
Geplant heeft, Zelf niet kunnen horen?
Zou Hij, die 't oog formeert, niet zien?
Zoudt Gij des Rechters wraak ontvlien,
Die volken straft, en wijsheid leert
Den mens, die wetenschap ontbeert ?
6
Neen, dwaas, de HEER' weet uw gedachten,
Dat z' ijdel Zijn bestuur verachten.
Welzalig is de man, o HEER',
Die door Uw tucht en hemelleer
Het nut der onderdrukking weet,
En voordeel trekt zelfs uit het leed.
7
Zo leert hij zich geduldig dragen,
Zo ziet hij 't eind der kwade dagen;
Zo wordt de roede zelfs gekust,
En d' onderwerping geeft hem rust,
Totdat de kuil gegraven wordt,
Waarin de zondaar nederstort.
8
De HEER' zal in dit moeilijk leven,
Zijn volk en erfdeel nooit begeven.
Het oordeel keert, vol majesteit,
Haast weder tot gerechtigheid;
Al wie oprecht is van gemoed,
Die merkt het op, en keurt het goed.
9
Wie helpt mij tegen al die bozen?
Wie wederstaat die goddelozen?
Zo mij de HEER', mijn schild en loon
Geen sterken bijstand had geboon,
Dan waar' mijn leven haast verkort,
En ik bijna in 't graf gestort.
10
Wanneer ik zei: "Mijn voeten glijden",
Toen hebt Gij mij gesterkt in 't lijden;
Wanneer mij 't afgepeinsde hart,
Door al mijn denken werd verward;
En ik in druk schier was gestikt,
Toen heeft Uw troost mijn ziel verkwikt.
11
Zou ooit de stoel der schandlijkheden
Bij Uwen troon een plaats bekleden;
Die moeit' en wetten boos verdicht?
Zij rotten saam, en, wars van 't licht,
Verdrukken zij het vroom gemoed,
Ja, doemen zelfs 't onschuldig bloed.
12
De HEER', mijn Bondgod, was voor dezen,
Mijn hoog vertrek in al mijn vrezen,
Mijn steenrots en mijn toeverlaat.
Hij straft de bozen, wreekt hun kwaad,
En loont hun boosheid met den val;
't Is God, die hen verdelgen zal.

Datheen

1
O God, Gij, Die een God zijt der wraken,
En hard straft al onrechte zaken,
Verschijn, toon U in 't openbaar.
Maak U op, Gij, Die richt 't aardrijk
Betaal den stouten al gelijk,
Naar verdienst' haars hoogmoeds zeer zwaar.
2
Hoe lang zullen de boze t' zamen
Hen des kwaads roemen zonder schamen
En hen verblijden met hoogmoed?
Hoe lang zullen zij roemen koen,
Die niet anders dan boosheid doen,
En stoutelijk poffen onvroet?
3
Zij slaan, o Heer, Uw volk aan stukken,
Uw erfdeel zij gans'lijk verdrukken,
Dan roven zij dat ganse land.
Weduwen en den vreemden man
Doden zij, en gaan vrij daarvan,
Ja spreken nog zonder verstand:
4
God en weet niet van onze werken,
God Jakobs kan noch zien noch merken
Ons doen, 't welk is beschikt zo fijn.
Merkt toch, mensen onwijs en zot,
Wilt gij blijven zo dwaas en bot,
En altijd zo uitzinnig zijn?
5
God, Die u heeft gemaakt de oren
En d' ogen, zoude Hij niet horen
Of zien? Zou Hij niet merken aan?
Hij, die de volkeren kastijdt,
En geeft verstand tot Zijnen tijd,
Zou Hij u niet straffen en slaan?
6
Doch de Heer weet 's mensen gedachten,
En dat zij met al hare krachten
Ijdel zijn en ganselijk niet.
Wel hem dien Gij onderwijst, Heer,
En die ook in Uwes woords leer
Daag'lijks toeneemt met allen vliet.
7
Opdat hij hem niet en durft schromen,
Als de tijd zal wezen gekomen,
Die vol van angst wordt en weemoed.
Dewijl dat men den put uitgraaft
Voor hem, die steeds tot boosheid draaft,
't Welk 't eind is van zijnen voorspoed.
8
De Heer en zal niet gans verderven,
Noch verlaten 't volk Zijner erven,
Dat op Hem vast betrouwen zal.
Maar Hij zal Zijn gerechtigheid
Tonen; dan zullen met bescheid
De vromen Hem toevallen al.
9
Waar is hij, die mij is bijstandig,
Tegen de boosdaders vijandig,
En tegen deez' godd'lozen hier?
Had mij de Heer niet bijgestaan,
Ik waar lange t' onder gegaan,
Ja, mijn ziel waar in 't graf nu schier.
10
Ik dacht, dat mijn voet ongestadig
Schier viel, maar Uw goedheid genadig
Onderhield mij altijd, o Heer!
Mijn hart was vol droefheid en nood,
Maar Uw schoon vertroostinge groot
Heeft daarna mijn ziel verheugd zeer.
11
Wat hebt Gij gemeens met hen allen,
Die Uw volk zwaarlijk overvallen
Onder den schijn des rechts zeer goed?
Naar 't leven des vromen zij staan,
En storten hier en daar voortaan
Zeer wredelijk onschuldig bloed.
12
Maar God is mijn beschutting machtig,
Mijn toeverlaat en troost zeer krachtig;
Haar kwaad hun werd vergolden haast;
Hij zal ze uitroeien gemein,
Om hare misdaden niet klein;
God maakt ze teniet en verbaasd.

Overige
Gereformeerd kerkboekVerschijn in lichtglans, God der wrake!
Liedboek 1973Verschijn in lichtglans, God der wrake!
Marnix van St. AldegondeO eewich Godt, o Godt der wraken,
Bladmuziek
Van deze psalm zijn er geen muziekbewerkingen.
Afbeelding
Video
Hieronder staan een aantal video's. Hier kunnen video's tussen staan die niets met deze psalm te maken hebben.

© juichtaarde.nl

Laat heel de wereld nu staan vol ontzag voor zijn naam,
zing het lied dat Hem eert.
tekst & muziek: Graham Kendrick (o.a. E&R bundel 393)