Psalm 89

Terug naar psalm overzicht

Info
 

Melodie

midi bestand
1773

1
'k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheen;
Uw waarheid t' allen tijd, vermelden door mijn reen.
Ik weet, hoe 't vast gebouw van Uwe gunstbewijzen
Naar Uw gemaakt bestek, in eeuwigheid zal rijzen;
Zo min de hemel ooit uit zijnen stand zal wijken,
Zo min zal Uwe trouw ooit wanklen of bezwijken.
2
"Ik heb", dit was Uw taal, "een vast verbond gemaakt
Met Mijnen gunsteling, dien steeds Mijn oog bewaakt.
Ik heb aan Mijnen knecht, aan Mijnen uitverkoren',
Aan David in Mijn gunst, met enen eed gezworen:
Ik zal van kind tot kind, tot aan het eind der dagen,
Uw zaad bevestigen, en uwen rijkstroon schragen."
3
De hemel looft, o HEER', Uw wondren dag en nacht,
Uw waarheid wordt op aard' de glorie toegebracht;
Daar Uw geheiligd volk van Uwe trouw mag zingen;
Want wie is U gelijk bij al de hemellingen?
En, welke vorsten ooit het aardrijk moog' bevatten,
Wie hunner is, o HEER', met U gelijk te schatten?
4
God is op 't hoogst geducht in Zijner heilgen raad'
En vreeslijk boven 't heir, dat om Zijn rijkstroon staat.
Wie is als Gij, o HEER', o God der legerscharen,
Wie is aan U gelijk? Wie kan U evenaren ?
Grootmachtig zijt G' ,o HEER', ja eindloos in vermogen,
Uw onverbreekbre trouw omringt U voor elks ogen.
5
Gij temt de woeste zee, zij luistert naar Uw wil;
Hoe hoog zij zich verheff', Gij wenkt en zij is stil.
Gans Rahab is door U verbrijzeld, gans verslagen;
Uw vijand is verstrooid, Uw arm heeft roem gedragen.
En aard', en hemel, en wat leeft of ooit zal leven,
Zijn d' Uwe; 't gans heelal hebt Gij 't bestaan gegeven.
6
Gij schiept het barre noord' en 't zoele zuiden saam;
Ginds juicht een Thabor, hier een Hermon in Uw Naam.
Gij hebt een arm met macht, Uw hand heeft groot vermogen,
Uw Rechterhand is hoog; Uw troon blijft onbewogen,
Van recht en van gericht zijn vasten steun ontlenen;
En waarheid en gena gaan voor Uw aanschijn henen.
7
Hoe zalig is het volk, dat naar Uw klanken hoort!
Zij wandlen, HEER', in 't licht van 't Goddlijk Aanschijn
voort;
Zij zullen in Uw Naam zich al den dag verblijden;
Uw goedheid straalt hun toe; Uw macht schraagt hen in 't
lijden,
Uw onbezweken trouw zal nooit hun val gedogen,
Maar Uw gerechtigheid hen naar Uw woord verhogen.
8
Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht;
Uw vrije gunst alleen wordt d' ere toegebracht;
Wij steken 't hoofd omhoog en zullen d' eerkroon dragen
Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen,
Want God is ons ten schild in 't strijdperk van dit leven,
En onze Koning is van Isrels God gegeven.
9
Gij hebt weleer van hem, dien Gij geheiligd hadt,
Gezegd in een gezicht, dat zoveel troost bevat:
"Ik heb bij enen held voor Isrel hulp beschoren,
Hem uit het volk verhoogd; hem had Ik uitverkoren;
'k Heb David, Mijnen knecht, Mijn gunsteling gevonden
En hem met heilge zalf aan Mij en 't rijk verbonden."
10
"Mijn hand zal, hoe 't ook ga, hem sterken dag en nacht;
Mijn arm zal hem in nood voorzien van moed en kracht;
De vijand zal hem nooit door wreevle handelingen,
Door list, of hels bedrog in uiterst' engten dringen;
Den booswicht zal 't geweld nooit tegen hem gelukken,
Noch in- noch uitlands vorst zijn zetel onderdrukken."
11
"Ik zal integendeel, al wie hem wederstaat
Verplettren voor zijn oog, en plagen, wie hem haat.
Mijn trouw zal met hem zijn, Mijn goedheid hem geleiden,
Zijn macht zal in Mijn Naam zich over d' aard' verspreiden;
Zijn hand de grote zee, zijn schepter de rivieren,
Door Mijn geducht bestel, met roem en eer bestieren."
12
"Gij," zal hij zeggen, "zijt mijn Vader en mijn God,
De rotssteen van mijn heil" "'k Zal hem ook stellen tot
Een eerstgeboren zoon, door al zijn broeders t' eren.
Als koning zal hij zelf de koningen regeren;
Mijn goedertierenheid zijn rijkstroon eeuwig stijven,
En Mijn gemaakt verbond met hem bestendig blijven."
13
"Ik zal de heerschappij doen duren bij zijn zaad,
Zolang de hemel zelf op vaste pijlers staat.
Maar zo zijn kinders ooit Mijn zuivre wet verlaten,
Zo 't richtsnoer van Mijn recht ter reegling niet kan baten,
Zo zij ontheiligen, wat Ik heb voorgeschreven,
Dan mogen zij gewis voor Mijne straffen beven!"
14
"Dan zal Ik hen, die dwaas of wreevlig overtreen,
Bezoeken met de roe en bittre tegenheen;
Doch over hem Mijn gunst en goedheid nooit doen enden.
Niet feilen in Mijn trouw, noch Mijn verbond ooit schenden.
'k Zal nooit herroepen 't geen Ik eenmaal heb gesproken,
't Geen uit Mijn lippen ging, blijft vast en onverbroken."
15
"'k Heb eens gezworen bij Mijn eigen heiligheid;
Zo Ik aan David lieg', zo hem Mijn woord misleid';
Zijn zaad zal eeuwig zijn; zijn troon zal heerlijk pralen,
Zo duurzaam als de zon, zo glansrijk als haar stralen;
Bevestigd als de maan; en aan des hemels bogen,
Staat Mijn getuige trouw te schittren in elks ogen."
16
Maar ach, mijn God, waar blijkt Uw trouw nu, waar Uw eer?
Gij stoot en werpt, vergramd, thans uw Gezalfde neer.
Gij schijnt niet van 't verbond met Uwen knecht te weten,
Zijn kroon, ontheiligd, ligt ter aarde neergesmeten;
Zijn sterke muren zijn door 's vijands macht verbroken,
Zijn vestingen verwoest en in het stof gedoken.
17
Hij is door elk beroofd, den nabuur tot een smaad.
Gij hebt de rechterhand verhoogd van die hem haat;
Gij deedt den vijand in zijn rampspoed zich verblijden;
Zijn zwaard ligt om, 't is stomp, en nutteloos in 't
strijden;
Gij doet hem, vol van schrik, van 't bloedig slagveld
vluchten
En onder 's vijands juk, van U verlaten, zuchten.
18
Zijn schoonheid is vergaan; zijn troon ligt neergestort;
De dagen zijner jeugd zijn door Uw hand verkort,
Met schaamt' is hij bedekt, elk kan hem straffloos tergen?
Hoe lang, getrouwe God, zult Gij U steeds verbergen?
Zal dan Uw grimmigheid, die niemand af kan keren,
Gelijk een brandend vuur, 't verdrukte volk verteren?
19
Gedenk, o HEER', hoe zwak ik ben, hoe kort van duur.
Het leven is een damp, de dood wenkt ieder uur;
Zou 't mensdom dan vergeefs op aarde zijn geschapen?
Wie leeft er, die den slaap des doods niet eens zal slapen?
Wie redt zijn ziel van 't graf? Ai, help ons, als tevoren,
Gelijk Gij bij Uw trouw aan David hebt gezworen.
20
Gedenk den smaad, dien elk van Uwe knechten lijdt,
Waarmee elk machtig volk mijn bang gemoed doorsnijdt;
Den smaad, o HEER', waarmee Uw haters ons beladen,
Waarmede zij den gang van Uw Gezalfde smaden.
Gij immers wilt of zult nooit onze hoop beschamen;
Den HEER' zij eeuwig lof en elk zegg': "Amen, Amen!"

Datheen

1
Van des Heeren goedheid zal ik zingen altijd,
Zijn waarheid zal ik roemen met harte verblijd;
Want 't is openbaar dat Zijn genade zal blijven
Tot in der eeuwiheid, alzo men ziet beklijven
Den hemel, dien Hij heeft gemaakt om te bewijzen
De zekerheid Zijner waarheid, niet om volprijzen.
2
Ik hebbe, spreekt de Heer, gemaakt een vast verbond
Met David Mijnen knecht, dien Ik voor 's werelds grond
Verkoren heb en met eed' zekerlijk gezworen;
Dat voortaan zou erven 't geslacht van hem geboren,
Deze genade, dat de koninklijke krone
Zou blijven erfelijk in zijn geslachte schone.
3
D' hemelen prijzen Heer! Uw werken wonderbaar;
In Uw gemeente goed schijnt Uwe waarheid klaar.
Niemand is er zo hoog geklommen, 't heeft gebleken,
Die bij U in sterkheid kan wezen vergeleken.
Geen engelen zijn in kracht zo hoog opgerezen,
Die gelijk kunnen zijn Uwen godd'lijken Wezen.
4
In de gemeente Zijner heiligen zeer goed,
Is God sterk, ook wordt Hij gevrezet met ootmoed.
Heer der heirscharen! Gij doet buigen alle krachten,
O eeuwig God zeer sterk! wie is U gelijk t' achten?
Het is rondom en alzins vol van Uwe trouwe
En Uwer waarheid, welke U niet zal berouwen.
5
Gij heerset over 't ganse meer diep ende breed,
Zijn baren stilt Gij als zij overlopen wreed.
Gij hebt Egypte omgebracht door 't zwaard en plagen;
Uwer vijanden kracht hebt Gij ontstuks geslagen,
Hemel en aard' is Uw; Gij hebt gemaakt alleine
't Aardrijk en alles wat daarin is groot en kleine.
6
Dat noord en 't zuiden Gij geschapen hebt, o Heer!
In Uwen naam juichen Hermon en Thabor zeer.
Gij hebt enen arm sterk, krachtig zijn Uwe handen.
Uw rechterhand verhoget is in alle landen.
Uwe troon staat vast in billigheid en 't gerichte,
Genaad' en waarheid gaan voor Uwen aangezichte.
7
Welzalig is dat volk, dat hen in U verblijdt,
Dat zal voorspoedig zijn nu en tot allen tijd;
In 't licht Uwes aanschijns zullen zij gaan al t' zame
En hen verheugen in den roem van Uwen Name;
Als zij zullen wezen door Uw gerechtigheden
Versierd daag'lijks met gaven schoon en ook met vrede.
8
Zo wij sterk zijn, daarvan hebt Gij alleen de eer;
Vermogen wij ook iets, zulks alles komt, o Heer!
Van Uw goedheid, die onz' bescherming is bevonden;
Is 't dat wij benauwd zijn nu of t' eniger stonde,
Gij, o heilige God IsraČls hoog verheven,
Zijt onz' Koning, tot Wien wij ons gans'lijk begeven.
9
Gij hebt voormaals, o Heer, door Uwe goedigheid,
Tot Uwen knecht door een openbaring gezeid:
Ik heb enen sterken jongeling uitverkoren,
Dien wil Ik bijstand doen, dat hij kracht mag oorboren!
Ik heb David alleen uit Mijn volk uitgelezen,
Hij zal boven all' and'ren Mij getrouwe wezen.
10
Ik hebbe hem gezalfd met heilig' olie zoet,
Onderhouden zal hem Mijn hand in tegenspoed,
In wederwaardigheid zal hem Mijn hand versterken;
Zodat zijn vijanden, door haar krachten en werken
Hem niet zullen overweldigen noch verdrukken,
Noch brengen onder voet door al haar boze stukken.
11
Maar veel meer zal Ik zijn vijanden al verslaan;
Die hem haten, zullen met veel plagen vergaan.
Mijn waarheid en goedheid zullen van hem niet wijken;
Door Mij zal zijnen hoorn verhoogd zijn desgelijken.
Hij zal over 't meer de hand met geweld uitstrekken,
Tot de rivieren zal hij zijn rechterhand rekken,
12
En zal spreken: Gij zijt mijn Vader en mijn God,
Mijn troost, mijn steenrotse, mijn burcht en mijn vast slot.
Ik wil hem nemen op tot Mijnen eersten Zone,
En boven de vorsten eren in Zijnen trone;
Mijn genade wil ik Hem eeuwiglijk bewaren,
Mijn verbond zal met Hem vast blijven en voortvaren.
13
Eeuwiglijk zal voorwaar overblijven zijn zaad;
Zijn rijke blijft zo lang als de hemel bestaat.
Zo zijn kind'ren daarna Mijn woord haast'lijk vergeten
En dat klein achten, uit hoogmoedigheid vermeten,
En niet wandelen in Mijne wetten gestadig,
Maar Mijn inzettingen ontheiligen boosdadig,
14
Ik wil bezoeken haast hare misdaden al,
Met plagen Ik die scherpelijk ook straffen zal.
Toch zal Ik Mijn goedheid van hen niet gans afwenden,
Mijn waarheid zal Ik niet laten feilen noch enden.
Ik wil gans niet afwijken van Mijnen verbonde,
Noch ook van 't woord, 't welk is gegaan uit Mijnen monde.
15
Ik heb David bij Mijn heiligheid enen eed
Gedaan, die zal niet feilen, noch Mij wezen leed,
Dat zijn zaad eeuwiglijk blijven zal overloedig.
En zijn troon zolang als de zon en mane spoedig
Zullen schijnen zeer schoon in haar hemelse klaarheid;
't Welk tekenen zijn van Mijn bestendige waarheid.
16
Doch Gij hebt Uwen knecht verworpen nu zo gaar;
Op Uwen gezalfden zijt Gij toornig voorwaar.
Uw verbond houdt Gij nu gans'lijk van gene waarde.
Gij tredet zijn krone schier gans en gaar ter aarde.
In zijn steden breekt Gij de muren af in 't ronde;
Zijn bollewerken laat Gij raseren te gronde.
17
Hij wordt beroofd van hen, die slechts daar gaan voorbij,
Zijner naburen spot tot allen tijd is hij.
Gij hebt verhoogd en gesterkt alle zijn vijanden,
En zijn haters verblijd, die daar zoeken zijn schanden.
Gij hebt zijn zwaard gemaakt bot, dat het niet kan snijden;
Hij wordt overwonnen van hen, die hem bestrijden.
18
Zijn grote klaarheid hebt Gij nu verduisterd zeer;
Zijn koninklijke stoel heel geworpen ter neer.
De dagen zijner jeugd verkort Gij hier ter plekken,
En gaat hem met schande aan elken kant bedekken.
Hoe lang zult Gij, o Heer, van ons trekken Uw handen?
Zal 't altijd duren, dat Uw toorn als vuur zal branden?
19
Denk hoe kort mijn levenstijd zij, Heer, en ontwaak;
Zoudt Gij den mens alzo vergeefs hebben gemaakt?
Wie is hij, die ontgaat den dood niet om verstrangen?
Die ook in 't grafsgeweld hierna niet werd gevangen?
Ach! waar mag de genade des ouden tijds wezen,
Die Gij David toezeid', naar Uw waarheid geprezen?
20
Gedenk des smaads, die Uwen knechten is gedaan,
En dat ik in den schoot al den spot moet ontvaan
Veler mensen, die U, o Heer! schenden en smaden;
En ook verachten Uwes gezalfden voetpaden.
Geloofd zij God altijd met eeuwig lof en prijzen!
Het zij alzo, dies zal Hem ieg'lijk eer bewijzen.

Overige
Gereformeerd kerkboekIk zal zo lang ik leef bezingen in mijn lied
Liedboek 1973Ik zal zo lang ik leef bezingen in mijn lied
Marnix van St. AldegondeIck wil Gods goetheyt groot lofsingen dach end' nacht,
Bladmuziek

categorie:
arrangeur:

Vocale tegenstem
E. Egberts
partituur  midi
voor bes instrument  

categorie:
arrangeur:

2 instrumenten + begeleiding
R. Sikkema
partituur  midi
bes-instrument  

Afbeelding
Video
Hieronder staan een aantal video's. Hier kunnen video's tussen staan die niets met deze psalm te maken hebben.

© juichtaarde.nl

Kom en laat ons prijzen en juichen voor zijn grootheid,
want Hij, de grote Koning, heeft de wereld in zijn hand.
Tekst & muziek: Peter van Essen (Opwekkingsbundel 604)