Psalm 81

Terug naar psalm overzicht

Info
 

Melodie

midi bestand
1773

1
Zingt nu blij te moe
't Machtig Opperwezen
Enen lofzang toe;
Om ons heilgenot
Worde Jakobs God,
Met gejuich geprezen.
2
Zingt een psalm en geeft
Trommels aan de reien;
Wat in Isrel leeft,
Roep' Zijn grootheid uit.
Harp en zachte luit
Moet Zijn roem verbreien.
3
't Blij bazuingeschal
Klink' in Isrels oren.
Doe nu overal
Deze maar verstaan:
" 't Feest der nieuwe maan,
't Feestuur is geboren!"
4
Want dit is 't bevel
Van den HEER' der heren,
Aan Zijn Israel.
Dit is 't hoog gebod,
't Recht van Jakobs God,
Dat wij billijk eren.
5
Dit doet Jozefs zaad
Aan Egypte denken
En in welk een staat,
Waar 't een sprake vond,
Die het niet verstond,
God Zijn heil wou schenken.
6
"'k Heb hun hals bevrijd
Van den last te dragen.
't Was die blijde tijd,
Toen hun moede hand
Werd in 's vijands land
Van den pot ontslagen."
7
"Op uw noodgeschrei,
Deed Ik grote wondren;
Onder Mijn gelei
Vondt gij hulp; Mijn woord
Werd van u gehoord
Uit de plaats der dondren."
8
"'k Nam te Meriba
Proef van uw vertrouwen,
Of g' op Mijn gena,
In uw tegenheen,
Op Mijn Naam alleen
En Mijn woord zoudt bouwen."
9
"Hoort Mij," zei Ik toen,
"Onder u betuigen,
Wat gij hebt te doen;
Och, dat Israel
Zich, op Mijn bevel,
Onder Mij wou buigen!"
10
"Eert geen uitlands God;
Wacht u voor uw zielen;
Wilt, naar Mijn gebod,
Mijnen Naam ten hoon,
Voor geen valse goon,
Voor geen vreemde knielen."
11
"Ik, Ik ben de HEER';
'k Ben uw God, die heilig
IJver voor Mijn eer;
Die u door Mijn hand
Uit Egypteland
Leidde, vrij en veilig."
12
"Opent uwen mond,
Eist van Mij vrijmoedig
Op mijn trouwverbond;
Al wat u ontbreekt,
Schenk Ik, zo gij 't smeekt,
Mild en overvloedig."
13
"Maar Mijn volk wou niet,
Naar Mijn stemme horen;
Israel verliet
Mij en Mijn geboon;
't Heeft zich andren goon,
Naar zijn lust, verkoren.
14
"'k Liet hen dies , veracht,
Naar 't hun goed dacht, handlen.
'k Liet dit boos geslacht,
Naar de keuze viel
Van hun dwaze ziel,
In hun wegen wandlen."
15
"Och, had naar Mijn raad
Zich Mijn volk gedragen!
Och, had Isrels zaad
Op Mijn effen paan
Ijvrig willen gaan,
Naar Mijn welbehagen ."
16
"'k Had hun haters ras
En geheel verslonden.
Wie hun tegen was,
Had aan allen kant
Mijn geduchte hand
Zeker ondervonden."
17
"Haters van den HEER'
Hadden Hem gegeven,
Schoon geveinsd, Zijn eer;
Ook zou Isrels tijd,
Van de smart bevrijd,
Eeuwig zijn gebleven."
18
"'k Had u dan tot spijs
Vette tarw' doen groeien,
En u, ten bewijs,
Hoe Ik u kon voen,
Honigbeken doen
Uit de rotsen vloeien."

Datheen

1
Zingt den Heere blij,
Die ons sterkt' is krachtig;
Verheugt u ook vrij
In God, IsraČl;
Bewijst Hem met spel
Prijs en eer aandachtig.
2
Zingt psalmen zeer goed,
En lieflijk om horen
De tamboeren zoet,
Harpen bekwame,
En psalters t' zame,
Wilt met vreugd oorboren.
3
Op de nieuwe maan
Met bazuinen zinget,
En vrolijk voortaan
Der lovertenten
Jaarlijkse renten
Betaalt en volbringet.
4
Dit 's in IsraČl
Een gebruik gewezen;
God en niemand el,
Dit bevolen heeft,
En tot teken geeft
Zijns bonds hoog geprezen.
5
Zulks heeft Hij gedaan,
Als 't volk uit den lande
Egypte gegaan
Is, daar 't de talen
Hoorde verhalen,
Die 't niet heeft verstanden.
6
Haar lasten aldaar
Heeft Hij weggenomen;
Van de potten zwaar,
Lastig om dragen,
Zijn ze ontslagen
En gans vrij gekomen.
7
Gij riept mij daar aan,
En Ik, in uw lijden,
Heb u bijgestaan,
En verhoord in nood,
Als de donder groot
Mij dekte ter zijden.
8
Ik proefd' u voorwaar
Aan 't twistwater klachtig,
En vond u daarnaar
Verhard van zinnen;
Doch Ik uit minnen
Sprak u aan eendrachtig:
9
Mijn volk! Mij toch hoort,
Mijn bond zal Ik maken
Met u van nu voort;
Wil Mij toch horen,
Open uw oren,
En wil Mijn woord smaken.
10
Maak u, Mijn volk vroed,
Generlei afgoden,
Genen dienst hen doet,
Wil ze niet eren,
Noch tot hen keren;
Want Ik heb 't verboden.
11
Want Ik ben uw God
Eeuwig en almachtig;
Dit land tot uw lot
Gaf Ik u goedig
En trok u spoedig
Uit Egypte krachtig.
12
Opent uwen mond
Zeer wijd onbeladen,
Ik zal hem terstond
Met goede spijze,
Naar Mijne wijze
Rijkelijk verzaden.
13
't Volk, dat Ik verkoos
Is van 't woord geweken;
Verstokt is 't en boos:
Ik heb 't gebeden,
't Heeft toch mijn reden
Ganselijk versteken!
14
Ik in toornigheid
Gaf 't over met allen,
Zijner verstoktheid,
Om zelf zijn zaken
Voortaan te maken
Naar zijn welgevallen.
15
Och! of 't volk rebel
Mij gehoorzaam ware!
En dat IsraČl
Ware gebleven
Op den pad even
Vast in 't openbare.
16
Ik zou haast verdaan
Hebben zijn vijanden;
Mijn hand, sterk in 't slaan,
Had boven maten,
Haast die hen haten,
Al gebracht te schanden.
17
Zijn vijanden al
Zouden druk bedrijven
En komen ten val;
Dat ze al t' zamen
Zouden met blamen
Eeuwig verdrukt blijven.
18
Tarw' in overvloed
Had Ik hun gegeven,
En met honing zoet,
't Welk vloeit uit stenen,
Gespijsd met enen
Had Ik z' al haar leven.

Overige
Gereformeerd kerkboekJubelt voor de Heer, juicht in uw gezangen
Liedboek 1973Jubelt God ter eer
Marnix van St. AldegondeSingt met all' u macht
Bladmuziek

categorie:
arrangeur:

Instrumentale tegenstem
E. Egberts
partituur  midi
voor bes instrument  

Afbeelding
Video
Hieronder staan een aantal video's. Hier kunnen video's tussen staan die niets met deze psalm te maken hebben.

© juichtaarde.nl

Grote God, wij loven U,
Heer, o sterkste aller sterken!
Heel de wereld buigt voor U
en bewondert Uwe werken
Liedboek 444