Psalm 79

Terug naar psalm overzicht

Info
 

Melodie

midi bestand
1773

1
Getrouwe God, de heidnen zijn gekomen,
Zij hebben stout Uw erfland ingenomen:
Jeruzalem, de tempel, Uw altaren,
't Ligt al verwoest door die geweldenaren!
Uw knechten zijn geveld
Door hun verwoed geweld.
Hun lijken, onbegraven,
Verzaden na hun dood
't Gediert' in hongersnood:
En gier en kraai en raven.
2
Het kostlijk bloed van Uwe gunstgenoten,
Als water om Jeruzalem vergoten,
Doet wijd en zijd des vijands woede blijken;
Het ganse veld is nu bezaaid met lijken,
Van d' eer des grafs beroofd.
De nabuur schudt het hoofd
En lacht met onz' ellenden.
Ons deerniswekkend lot,
Stelt ons ten smaad, ten spot
Van vreemden en bekenden.
3
Hoe lang zult Gij in gramschap zijn ontstoken;
Zal 't hevig vuur Uws ijvers eeuwig roken?
Stort Uwe wraak op hen, die ons verteren,
Op volken, die Uw groten Naam niet eren;
Want Isrel, door hun macht
Verschrikklijk omgebracht,
Ligt in zijn bloed verdronken;
Zijn woning, al de troost
En lust van Jakobs kroost,
Gelijkt thans naar spelonken.
4
Gedenk niet meer aan 't kwaad, dat wij bedreven,
Onz' euveldaad word' ons uit gunst vergeven.
Waak op, o God, en wil van verder lijden
Ons klein getal door Uwe kracht bevrijden.
Help ons, barmhartig HEER',
Uw groten Naam ter eer;
Uw trouw koom' ons te stade;
Verzoen de zware schuld,
Die ons met schrik vervult,
Bewijs ons eens genade!
5
Waarom zou zich der heidnen macht vermeeren,
Uw hoog gezag door bittren schimp onteren,
En vragen door hun trotsen waan bedrogen:
"Waar is hun God, waar blijkt nu Zijn vermogen?"
Vergeld hun overmoed,
Wreek Uwer knechten bloed,
O God van ons betrouwen;
Verdedig onze zaak,
Doe 't heidendom uw wraak
Zelfs voor ons oog aanschouwen!
6
Ai, hoor naar hen, die in gevangnis kwijnen,
Laat hun gekerm voor Uw gezicht verschijnen.
Bevrijd hen, die gedreigd met doodsgevaren,
Op Uwe hulp met smekend' ogen staren.
Vergeld den wreden smaad,
Waarmee des nabuurs haat,
Uw mogendheid dorst schenden.
Geef hun, o Opperheer,
Die zevenvoudig weer;
Zie neer op onz' ellenden.
7
Zo zullen wij de schapen Uwer weiden,
In eeuwigheid Uw lof, Uw eer verbreiden,
En zingen van geslachten tot geslachten;
Uw trouw, Uw roem, Uw onverwinbre krachten.

Datheen

1
De heid'nen zijn in Uw erfdeel gevallen;
Zij hebben ontheiligd onder hen allen
Den tempel schoon, en daartoe afgelopen
Jeruzalem, ja gemaakt tot steenhopen.
De lichamen daarnaar
Uwer knechten eerbaar
Den raven zij voorstelden;
't Vlees Uwer knechten goed
Wierpen ze met hoogmoed
Den dieren op de velden.
2
Zij hebben, Heer! Uwe knechten verstoten,
En 't bloed rondom Jeruzalem vergoten
Als water klaar, hetwelk klein is van waarde;
Niemand heeft ze dragen willen ter aarde.
Wij zijn een spot en smaad
Onzen naburen kwaad;
Zij schimpen zeer vermeten,
En spotten zonder end,
Zij, die ons zijn omtrent
Met woninge gezeten.
3
Ach, hoe lang zult Gij nog, o Heer geprezen,
Op ons alzo vergramd en verstoord wezen?
Hoe lang zal nog Uwen toorn zijn ontsteken,
Als een vuur, 't welk men met kracht ziet uitbreken?
Stort Uwen toorne zwaar
Over 't volk, dat voorwaar
U niet wil kenne, Heere!
De koninkrijken t' zaam
Sla Heer, die Uwen naam
Niet aanroepen met ere.
4
Zij hebben schier Jakobs huis gans vereten,
En zijn nakomelingen al verbeten;
Zijn woningen ook geworpen ten gronde,
Ja gans verwoest, als 't blijkt tot dezer stonde,
Wil Heer! gedenken niet
De zonden die geschied
Voor U zijn in voortijden;
Haast U, Heer, kom toch voort,
En help ons naar Uw woord
Want wij zijn in groot lijden.
5
Help ons, Heer, Gij zijt onz' toevlucht alleine;
Opdat geČerd word' Uwen Name reine;
Verlos ons en wil ons t' zamen vergeven
Onz' zonden, door Uw goedheid hoog verheven.
Dat men tot Uwen spot
Niet zegg': Waar is haar God?
De bozen wil benauwen,
En wraak overal doet
Van Uwer knechten bloed,
Dat wij 't mogen aanschouwen.
6
Laat tot U komen dat zuchten en klagen
Dergenen, die in banden zijn geslagen;
Laat die vrij zijn, schenk hun o Heer! dat leven,
Die tot den dood geČigend zijn en beven.
Onzen naburen fier,
In haren schoot wil schier
Zevendubbel vergelden,
Den smaad ende den blaam,
Daarmee zij Uwen Naam
Steeds lasteren en schelden.
7
Dan zullen wij, die schapen Uwer weiden
En Uw volk zijn, met blijdschap groot uitbreiden
Uwes Naams eer; ook werden Uwe krachten
Altijd verteld, van geslacht tot geslachten.

Overige
Gereformeerd kerkboekO God, nu zijn de heidenen gekomen
Liedboek 1973O God, nu zijn de heidenen gekomen
Marnix van St. AldegondeDe Heydens Heer sijn in dijn erf getreden,
Bladmuziek
Van deze psalm zijn er geen muziekbewerkingen.
Afbeelding
Video
Hieronder staan een aantal video's. Hier kunnen video's tussen staan die niets met deze psalm te maken hebben.

© juichtaarde.nl

Zolang er mensen zijn op aarde,
zolang de aarde vruchten geeft,
zolang zijt Gij ons aller Vader,
wij danken U voor al wat leeft.
tekst: Huub Oosterhuis
muziek: Tera de Marez Oyens
(o.a. Liedboek 488)