Psalm 78

Terug naar psalm overzicht

Info
 

Melodie

midi bestand
1773

1
Neem, o mijn volk, neem mijne leer ter oren;
Neig oor en hart, om naar mijn stem te horen;
'k Zal met mijn mond u wijze spreuken leren,
Verborgenheen, van ouds af waardig t' eren.
Mij vloeit een schat van wijsheid uit den mond,
Gelijk een bron, die voortspringt uit den grond.
2
Verborgenheen, met diep ontzag te melden,
Die ons voorheen de vaderen vertelden,
Die wij, hun kroost, ook niet verbergen mogen,
Die stellen wij het nageslacht voor ogen;
Des HEEREN lof uit 's lands historieblaan,
Zijn sterken arm en grote wonderdaan.
3
Want God heeft Zijn getuigenis gegeven
Aan Jakobs huis; een wet, om naar te leven,
Die Israel zijn nageslacht moet leren,
Opdat men nooit haar kennis moog' ontberen;
God vordert, dat de naneef, eeuwen lang,
Van kind tot kind, dit onderwijs ontvang'.
4
Opdat z' op God hun hope stellen zouden,
In 't oog Zijn daan, in 't hart Zijn wetten houden,
En nimmermeer weerspannig God verachten,
Verdraaid en krom, als vorige geslachten,
Wier hart niet was gericht naar Zijn gebod,
Wier geest niet was getrouw met hunnen God.
5
Wat kon de boog den besten schutter baten?
Toen Efraim Gods wegen had verlaten,
Vlood al het heir ten dage van het strijden,
En moest aldus de zwaarste neerlaag lijden,
Op Gods verbond werd niet van hen gelet;
Zij weigerden te wandlen in Zijn wet.
6
Zijn wonderdaan, door niemand af te meten,
Zijn trouweloos en snood van hen vergeten;
Die wonderdaan, waardoor Egypte 's helden
Bezweken zijn in Zoans vette velden;
Daar Hij, tot troost in hunner vaadren leed,
Voor ieders oog de grootste tekens deed.
7
Zijn almacht wist de zee vaneen te scheiden
En 't angstig heir daar droogvoets door te leiden;
Als op een hoop deed Hij de waatren rijzen.
Hij gaf des daags, om hen den weg te wijzen,
Een wolkkolom; een licht des vuurs bij nacht;
Totdat Hij hen in 't vruchtbaar Kanan bracht.
8
Ook spleten zelfs de rotsen op Zijn wenken,
Geen afgrond kon het volk ooit milder drenken;
De woestenij gaf zuivre watervlieten,
Die d' Almacht uit de steenrots voort deed schieten,
Gelijk een stroom, die golvend afgegleen,
Zijn armen spreidt door al de velden heen.
9
Maar schoon zij dus Gods goedheid ondervonden,
Nog pleegden z' in 't vervolg de snoodste zonden;
In 't woest gewest uit vetter land getogen,
Vergramden zij des Allerhoogsten ogen;
Verzochten God, en eisten, ten bewijs
Van Zijne macht, naar hunne lusten, spijs.
10
Zij spraken stout: "Kan God in wildernissen
Ook keur van spijs op onze tafel dissen?
't Is waar, Hij sloeg de rots, en deed de stromen,
In overvloed uit harde klippen komen;
Maar, is Zijn macht zo onbepaald en groot,
Hij geev' dan hier Zijn volk ook vlees en brood."
11
Dit hoorde God, en werd op 't hoogst verbolgen;
Zijn vuur ontstak, om Jakob te vervolgen;
De felle toorn van 't eeuwig Opperwezen
Deed Israel al sidderende vrezen;
Omdat zij niet geloofden aan Gods mond,
Noch op Zijn heil vertrouwden naar 't verbond.
12
Daar God, voor hen bezorgd, in hunne noden
De wolken zelfs van boven had geboden,
De hemeldeur ontsloten, mild in 't zeegnen,
En 't manna doen rondom hun tenten reegnen;
Opdat Zijn volk, ten blijk van Zijne trouw,
Dit hemelkoorn op reis genieten zou.
13
Elk mocht zijn brood, zo mild hem toegemeten,
Dat wonderbrood der Machtigen, nu eten;
Den teerkost, tot verzading hun gegeven
Een oostenwind werd door Hem voortgedreven,
En 't zuiden gaf, in 't aangevoerde zwerk,
Geen minder blijk van Zijn krachtdadig werk:
14
Toen daalde 't vlees, als stof en dichte regen,
Een grote vlucht van vooglen, neergezegen;
In menigte gelijk aan 't zand der stranden,
Viel toen vanzelf hun rijkelijk in handen;
Viel, op Gods wenk, rondom elks woning neer,
En spijsde 't heir van Isrels Opperheer.
15
Toen aten zij, en werden zat van eten;
Hun eetlust werd voldaan, hoe godvergeten;
Maar eer hun drift en tomeloos begeren,
Waarmee dat volk Gods almacht dorst onteren,
Verzadigd was, ziedaar de straf terstond,
Terwijl de spijs nog was in hunnen mond;
16
Ziedaar Gods toorn, gelijk een vuur, ontstoken;
Zijn eer werd op hun machtigsten gewroken,
Daar plaag op plaag geweldig nedervelden
't Aanzienlijkst deel, het puik van Isrels helden,
Maar 't volk ging voort, hun ongeloof hield aan;
God had vergeefs Zijn wonderen gedaan.
17
Daarom deed Hij in ijdelheid hun dagen
Vergaan, en, door een reeks van felle plagen,
In schrik en angst hen slijten hunne jaren.
Maar bracht Hij hen opnieuw in doodsgevaren,
Dan vraagden zij naar God, en keerden weer,
En zochten vroeg, uit bange vrees, den HEER'.
18
Dan dachten zij, hoe 't eeuwig Opperwezen
Hun rotssteen was, en hoe in angst voor dezen
De hoge God verlossing had gezonden;
Dan vleiden zij Hem valslijk met hun monden,
En bukten laag, omdat de nood hen drong,
Maar logen Hem met hun geveinsde tong.
19
Hun hart was boos, vervuld met slinkse streken;
Van Zijn verbond was groot en klein geweken,
Doch God vergaf barmhartig hunne schulden;
Verdierf ze niet, schoon zij de maat vervulden;
Hij wendde zelfs Zijn gramschap dikwijls af;
En wekte nooit Zijn ganse wraak ter straf.
20
Hij dacht in gunst, door hunne ramp bewogen;
Zij zijn toch vlees, zij hebben geen vermogen;
Zij zijn een wind, die gaat, en nooit zal keren,
Hoe dikwijls dorst hun wrevel God onteren!
De wildernis zag door hun boze paan
Hem bitterheen en smarten aangedaan.
21
Want elk ging voort in God op 't snoodst te tergen,
En nieuw bewijs van Zijne macht te vergen,
Den heilgen God van Israel te kwellen,
En paal en perk aan Zijne daan te stellen.
Zij dachten niet aan dien doorluchten tijd,
Waarin Gods hand hen had van 't juk bevrijd.
22
Hoe Hij Zijn oog op hen had neergeslagen,
Egypte van Zijn tekenen deed wagen,
En Zoans veld, daar Hij hen af wou zondren;
Een streng toneel deed worden van Zijn wondren;
Waar poel en beek, en groot' en kleine vloed,
Ondrinkbaar werd, en niets dan walglijk bloed.
23
Hij zond een heir, door niemands hand te weren,
Veel ongediert', om alles te verteren;
Zijn grote kracht deed vorsen uit de stromen,
Tot wis bederf van gans Egypte, komen;
Hij gaf 't gewas, met vlijt gekweekt, en 't kruid
Den kruidworm en den sprinkhaan tot een buit.
24
De wijnstok werd door hagel neergesmeten,
De wilde vijg daardoor vaneen gereten;
De landman zag zijn vruchtbaar veld bederven,
Zijn kleiner vee door zwaren hagel sterven;
Zijn beesten door den fellen bliksem slaan,
En jammerlijk door vuur en vlam vergaan.
25
Ook zond Hij toorn, verbolgenheid en noden,
Verstoordheid, angst en vreeslijk' onheilsboden;
Hij baand' een weg voor Zijne grimmigheden,
Waarlangs de wraak zou treen met wisse schreden:
Hun ziel werd niet onttrokken aan het graf;
Terwijl Hij 't vee aan 't pestvuur overgaf.
26
Egypteland zag al het eerstgeboren,
Door 's hemels wraak geslagen en verloren;
De dood der jeugd, 't beginsel van Chams krachten,
Vervulde tent en veld met jammerklachten;
Waaruit Gods volk als schapen werd geleid,
En vrij en blij op Parans grond geweid.
27
Ja, zonder vrees mocht Isrel veilig trekken;
Het zag de zee zijn haatren overdekken;
Want God, hun God, bracht hen, bevrijd van banden,
Naar 't land, door Hem geheiligd uit de landen,
Tot dezen berg, dien Zijne hand verkreeg,
En die daarna ten hoogsten luister steeg.
28
Het heidendom werd voor hen weggedreven;
Aan elk, naar 't snoer, zijn erfenis gegeven;
En Isrel mocht in eigen tenten wonen.
Maar 't wufte volk ging voort met God te honen,
Verzocht den HEER', versmaadde Zijn gebied,
En hield het recht des Allerhoogsten niet.
29
Zij weken af door trouwelozen handel,
En volgden dus der vaadren snoden wandel;
Zo keren zich bedriegelijke bogen,
Waardoor somwijl de schutter wordt bedrogen,
Des HEEREN toorn en ijver werd getergd,
Door beeldendienst en hoogten op 't gebergt'.
30
Dit hoorde God, en heeft, op 't felst ontstoken,
Dit boos bestaan op Israel gewroken,
Dat volk versmaad met beelden en altaren;
Dies liet Hij tent en tabernakel varen,
Die Hij zich daar ter woning had gesticht,
En tot Zijn eer te Silo opgericht.
31
Het onderpand van 't heerlijk alvermogen,
Zijn heilig' ark, gaf Hij, voor Isrels ogen,
Den Filistijn in d' ongewijde handen;
Zijn volk ten zwaard', of in de slaafse banden.
Gods Majesteit, getergd, zag van omhoog
Zijn erfnis aan, met een verbolgen oog.
32
Het vuur verslond de strijdbre jongelingen,
Der maagden lof vergat men op te zingen;
Hun priesterschap, hoe hoog door God verheven,
Werd, laag verneerd, aan 't zwaard ten prooi gegeven;
En d' arme weeuw bezweek van zielsverdriet,
Of zat door schrik verstomd, en weende niet.
33
Toen stond God op met gunstige gedachten,
Als na een slaap ontwaakt met nieuwe krachten;
Ja, als een held, ontzagglijk in zijn gangen,
Die nieuwen moed heeft door den wijn ontvangen;
En sloeg tot smaad, met Zijn geduchte hand,
Het uiterst, deel van 's vijands ingewand.
34
Doch Jozefs tent liet Hij verachtlijk varen,
In Efraim verkoos Hij geen altaren;
Maar Hij had lust, in Judas stam te wonen,
Om daar Zijn macht en heerlijkheid te tonen
Op Sions berg, dien 's werelds Opperheer
Bemind' en koos ten zetel van Zijn eer.
35
Daar bouwde Hij als hoogten Zijne muren,
Zijn heiligdom, dat d' eeuwen zou verduren;
Gelijk deez' aard', gegrond door Zijne krachten,
In eeuwigheid geen wanklen heeft te wachten,
Held David, dien Hij van de schaapskooi nam,
Verkoos Hij zich tot vorst uit Judas stam.
36
Hij deed Zijn knecht van achter 't vee zich spoeden,
Om Jakobs zaad, Zijn dierbaar volk, te hoeden,
Zijn Israel, ten erfdeel Hem verkregen,
Dus heeft die vorst geheerst met roem en zegen,
Gods volk oprecht en met verstand geweid,
En 't rijk beschermd door dapper krijgsbeleid.

Datheen

1
O mijn volk, wil mijn lering nu aanhoren,
Neig uw verstand, wil open doen uw oren,
Verneem mijns monds schoon' en heerlijke reden.
Van mij werden Godes werken beleden;
Van Zijn grootdaden wil ik doen vermaan,
Die onze God hiervoormaals heeft gedaan.
2
De daden die ons voortijds zijn vermondet,
Die ons onz' grootvaders hebben verkondet;
Dat ze de kind'ren ook wisten al voren,
Die nog na hen zouden worden geboren;
Opdat ze wisten de roem en de kracht
En werken groot onzes Gods hoog geacht.
3
God heeft in Jakob Zijn verbond gegeven
En is IsraČl Zijn gezet gedreven;
Dat onze voorvaders hen zouden keren,
Om van geslacht tot geslacht die te leren;
Opdat ze den kind'ren klaar ende bloot
Verkondigden des Heeren werken groot.
4
Opdat z' op God alleenlijk mochten bouwen,
Zijn grote werken vastelijk onthouwen,
En Zijn wetten bewand'len en beleven,
Niet als haar vaders, die waren begeven
Tot moedwille, met een hart erg en fel,
En tegen God steeds geweest zijn rebel.
5
Zulks is in Efračm zeer wel gebleken,
Die in den strijd van God zijn afgeweken,
Of zij schoon met bogen gewapend waren,
En in het schieten kunstig wel ervaren:
Want zij hielden niet des Heeren verbond,
En verwierpen Zijn wet tot aller stond.
6
Zij hebben des Heeren schoon' wonderwerken,
Die zij hebben kunnen zien en zelfs merken,
Vergeten en veracht uit boze gronden;
Ja die zij gezien hadden en bevonden
In Egypte en in dat veld Zoan,
Die haar grootvaders zelf daar zagen an.
7
Hij deelde 't meer en ook de waterstromen,
En liet al Zijn volk droogvoets daardoor komen;
't Water bleef als muren vast in zijn stede.
Door een wolke leidd' Hij 't volk daags met vrede
En 's nachts door een kolomme vuurs zeer klaar,
Om Zijn volk te leiden zonder gevaar.
8
God brak de steenrotsen door Zijn kracht spoedig;
Opdat Zijn volk mocht drinken overvloedig
In de woestijne, daar Hij uit de steinen
En uit de klippen voortbracht de fonteinen,
En gaf 't water met zulk een overvloed,
Dat daar stromen liepen des waters zoet.
9
Doch zij hebben al t' zaam gedaan veel zonden,
En God tot toorn verwekket tot dien stonden,
Zij hebben Hem verzocht naar hare wijze
In de woestijn, en daar begeerd met spijze
Naar haren lust verzaad te zijn wel zeer;
En murmureerden zo tegen den Heer:
10
Zou God (zeiden zij) ons in deez' woestijne
Den dis kunnen dekken met spijs en wijne?
Uit den geslagen steen de stromen drongen,
En de wateren zeer haast daaruit sprongen;
Zou God ons hier kunnen geven ons brood?
En ons spijzen met vlees in dezen nood?
11
Daarom als God deez' blindheid ging aanmerken,
Werd Hij zeer gram en wilde haar niet sterken;
Terstond zag men een groot vuur haast ontsteken
Over dat zaad van Jakob die afweken;
Hij verdierf de kinders van IsraČl,
Omdat zij op Hem niet betrouwden wel.
12
Want daar zij zulken nood hebben bezeven,
God hadde den wolken gebod gegeven
En den hemel ontdaan in 't openbare;
Hij regende 't manna der ganse schare,
Zodat zij zijn geworden tot dier stad
Des hemels brood geheel vol ende zat.
13
De sterf'lijke mens daar zijnde gezeten,
Heeft van dat brood der engelen gegeten;
Dies is hij haast zat geweest boven maten.
God heeft de winden zeer sterk waaien laten,
Den enen uit het zuiden door Zijn kracht,
Den and'ren heeft Hij uit 't oosten gebracht.
14
Daarna heeft Hij dat vlees van smake goedig,
Geregend uit den hemel overvloedig;
En gelijk des zands veel is in getale,
Gaf Hij hun vogels t' eten altemale;
Die vielen op den leger overbreid,
In den tenten hebben zij die bereid.
15
Zo werd deze hoop zwaarlijk om verzaden,
Zeer vol zijnde, met deez' spijs overladen;
Haren lust koelden zij op deze wijze;
Doch zij aten noch steeds van deze spijze,
Ja hadden noch even tot dezer stond
't Vlees tussen de tanden in haren mond,
16
Als God gram werd en dit volk liet verderven,
En de voornaamst' onder hen ook liet sterven;
Ja haast'lijk stierven de voornaamsten zere.
Toch heeft deez' boze aard God haren Heere,
Voortaan vergramd en Zijn ere geroofd,
En Zijner wonderwerken geen geloofd.
17
Daarom zijn zij gestorven in ellenden,
En hebben haast haren tijd moeten enden;
Dies als zij zulks onder malkander zagen,
Begonnen ze naar God den Heer te vragen.
Een ieder heeft vroeg, ja v¢¢r den daag'raad
Gezocht Godes genaad' in zulken staat.
18
Dan bedachten ze, dat God in 't benauwen
Een toevlucht is, daarop men mag betrouwen,
Die door Zijn kracht en sterkte wonderdadig
Die verlost, die Hem betrouwen gestadig.
Maar zij huichelden steeds met haren mond,
Haar tong sprak niets dan leugen in den grond.
19
Met harten wilden zij God niet aankleven;
In Zijn verbond zijn zij ook niet gebleven,
Doch zo genadig is de Heer bevonden,
Dat Hij hun vergaf haar schand'lijke zonden;
Hij keerde Zijn gramschap groot van hen af,
En stilde dikwijls Zijnen toorne straf.
20
Hij bedachte dat haar zwakke nature
Niets anders dan een vlees was t' elker ure,
En als een wind die doorvliegt zonder keren.
Hoe dikwijls hebben zij den Heer der heren
Tot toorn verwekt en zeer bedroefd gemaakt
In de woestijne, die van hitte blaakt.
21
Dit volk, om God te tergen zeer genegen,
Heeft Hem verzocht altijd en allerwegen;
Ja heeft willen meesteren t' allen tijden
Den Heilige IsraČls zonder mijden;
Niet denkend' aan Zijn hand, daardoor dat zij
Van haar vijanden gemaakt waren vrij.
22
Hij heeft hun wondertekenen gegeven
Die Hij in Egypte hadde bedreven;
In Zoan heeft Hij Zijn daden vermeret,
Daar Hij 't water haast in bloed heeft verkeret;
De beken waren bloed, dies met verdriet
Verging 't volk en konde zulks drinken niet.
23
Dan zond hun God wormen boos boven maten,
Die z' al, ja zelfs tot in de bedden aten;
Vorsen plaagden hen ook aan alle zijden;
In de vruchten moesten zij schade lijden
Van de rupsen die ze hebben gekweld;
De sprinkhanen verdorven 't ganse veld.
24
Haar wijngaard werd met den hagel geslagen,
Over de vijg'bomen vielen veel plagen.
Met hagel is al haar vee omgekommen,
't Vuur verteerde de kudden ook alommen.
Summa, Hij heeft over hen in 't gemeen
Zijnen toorn groot uitgestortet meteen.
25
Hij liet ze zeer straffen in alle zaken,
Door d' engelen die bereid zijn ter wraken.
Hij maakte plaats in Zijn gramschap zeer krachtig,
Niemand en verschoonde de Heer almachtig;
Haar vee, ja zij zelf storven zeer verbaasd,
Door de pestilentie wel met der haast.
26
In Egypte waren zeer snel verdorven
De eerstgeboor'nen, die haastelijk storven;
't Verraderisch geslacht van Cham geboren,
Heeft God ommegebracht in Zijnen toren.
Toen trok Zijn volk uit als schapen zeer goed,
Die Hij heeft in de woestijn opgevoed.
27
Hij leidde 't volk zekerlijk tot dien stonden;
De zee heeft al de vijanden verslonden.
Zijn volk wilde Hij zo den weg bereiden,
En hen tot haar erfgoed zeer schoon geleiden;
Tot den heerlijken berg, dien Hij hun geeft,
Die Hij door Zijnen arm verworven heeft.
28
De volkeren heeft Hij voor hen verdreven,
En haar land zeer vruchtbaar ook ingegeven
De stammen IsraČls als d' onversaagde.
Doch zij verzochten Hem, 't welk Hem mishaagde;
Zij hebben t' zaam den Heer vergramd eenpaar,
En niet gehouden Zijn geboden klaar.
29
Volgende der voorvaderen gebreken,
Als verachters zijn zij van God geweken;
Zij ware gelijk loze bogen alle,
Door afgoden zijn zij gebracht ten valle;
Daardoor de jaloerse God werd verstoord
En getergd tegen Zijn gebod en woord.
30
Want als God begon haar boosheid te merken,
Hij kreeg een mishagen van hare werken,
En werd toornig over Zijn huisgenoten.
Dies Hij tot Silo Zijn huis heeft verstoten.
Ende Zijn woninge verlaten gaar
Daar Hij gewoond hadde zo menig jaar.
31
D' arke des verbonds kwam in vreemde landen,
En haar heerlijkheid tot hare vijanden.
Zijn volk werd van d' onbesneed'nen gevangen
Te vuur en te zwaarde niet om verstrangen.
Alzo was God vergramd gans en geheel,
Over IsraČl Zijn geliefd erfdeel.
32
't Vuur nam haren jongelingen dat leven,
De maagden zijn steeds ongetrouwd gebleven,
Eenzaam bedrukt heeft men z' alleen gevonden,
Door 't zwaard zijn gedood de priesters vol wonden;
De weduwen in dezen zwaren strijd,
En hadden om treuren schier genen tijd.
33
Maar gelijk een dronkig mens hem opmaket,
Als de wijn wel verteerd is, en ontwaket,
Die zeer luid tiert en maakt een zeldzaam wezen,
Alzo is ook onze God opgerezen,
En sloeg 't achterdeel der vijanden kwaad,
't Welk hun een eeuwige schand' is en smaad.
34
Hij verstiet 't huis Jozefs des uitverkoren,
En den stam Efračm in Zijnen toren,
En nam Juda, dat Zijn huis daar zou wezen,
Op Sion, den berg van Hem uitgelezen;
Daar Hij Zijn woning ende Zijnen troon
Heeft opgericht zeer sierlijk en zeer schoon.
35
Zijn woninge heeft God de Heer geprezen,
Voor eeuwiglijk zeer wel gegrond mits dezen
Zo vast als d' aardbodem staat nu ten tijden.
En uit Zijn volk verkoos Hij met verblijden
David Zijn knecht, daar hij de schaapkens klein
Gehoedet heeft op 't veld in 't groene plein.
36
God nam hem, daar hij de schapen moest weiden
En beval dat hij 't volk zoude geleiden,
En IsraČl, Zijn erfdeel wel bewaren;
't Welk David gedaan heeft, Zijn trouw' dienare;
Hij heeft dat volk met verstand en wijsheid
Geregeerd en gevoerd in heiligheid.

Overige
Gereformeerd kerkboekMijn volk, hoor toe en neem mijn leer ter ore
Liedboek 1973Mijn volk, ik ga geheimen openleggen
Marnix van St. AldegondeComt voor mijn volck, om mijn leer' aen te hooren:
Bladmuziek

categorie:
arrangeur:

Vocale tegenstem
E. Egberts
partituur  midi
voor bes-instrument  

Afbeelding
Video
Hieronder staan een aantal video's. Hier kunnen video's tussen staan die niets met deze psalm te maken hebben.

© juichtaarde.nl

Dan groeit in mij steeds sterker dit verlangen:
Laat heel de wereld zien, hoe echt uw liefde is
tekst & muziek: Paul Oakley (o.a. Opwekkingsbundel 494)