Psalm 77

Terug naar psalm overzicht

Info
 

Melodie

midi bestand
1773

1
Mijn geroep, uit angst en vrezen,
Klimt tot God, het Opperwezen,
God, die in mijn ongeval,
D' oren tot mij neigen zal.
'k Zocht Hem in mijn bange dagen;
'k Bracht de nachten door met klagen;
'k Liet niet af, mijn hand en oog,
Op te heffen naar omhoog.
2
'k Schatte mij geheel verloren;
'k Mocht van geen vertroosting horen,
Als mijn ziel aan God gedacht,
Loosd' ik niet dan klacht op klacht;
Peinsd' ik aan mijn vruchtloos kermen,
Vruchtloos roepen om ontfermen,
Dacht ik, hoe God anders helpt,
Mijne ziel werd overstelpt.
3
Slaap weerhieldt Gij van mijn ogen,
'k Was verslagen, neergebogen,
En, verstomd door al 't verdriet,
Wars van mensen, sprak ik niet.
'k Overdacht al d' oude dagen;
Jaren, eeuwen, gunsten, plagen,
En wat immer aan mijn ziel
Van Gods hand te beurte viel.
4
'k Dacht, hoe 'k God met vreugd voor dezen
Op mijn snaren had geprezen;
'k Overleid', in diepe smart,
's Nachts met een mistroostig hart,
En mijn geest doorzocht de reden,
Waarom God die tegenheden
Mij in zulk een mate zond,
En wat mij te duchten stond.
5
"Zou de HEER' Zijn gunstgenoten,"
Dacht ik, "dan altoos verstoten?
Niet goedgunstig zijn voortaan?
Nimmer ons meer gadeslaan?
Zouden Zijn beloftenissen
Verder haar vervulling missen,
Vruchtloos worden afgewacht
Van geslachte tot geslacht?"
6
"Zou God Zijn gena vergeten?
Nooit meer van ontferming weten?
Heeft Hij Zijn barmhartigheen
Door Zijn gramschap afgesneen?"
'k Zei daarna; "Dit krenkt mij 't leven,
Maar God zal verandring geven;
D' Allerhoogste maakt het goed;
Na het zure geeft Hij 't zoet."
7
'k Zal gedenken, hoe voor dezen
Ons de HEER' heeft gunst bewezen;
'k Zal de wondren gadeslaan,
Die Gij hebt van ouds gedaan.
'k Zal nauwkeurig op Uw werken
En derzelver uitkomst merken,
En, in plaats van bittre klacht,
Daarvan spreken dag en nacht.
8
Heilig zijn, o God, Uw wegen;
Niemand spreek' Uw hoogheid tegen;
Wie, wie is een God als Gij,
Groot van macht en heerschappij?
Ja, Gij zijt die God, die d' oren,
Wondren doet op wondren horen;
Gij hebt Uwen roem alom
Groot gemaakt bij 't heidendom.
9
Door Uw arm en alvermogen,
Hebt Gij Isrel uitgetogen;
Jakobs kindren, Jozefs zaad
Vrijgemaakt van Faros haat.
't Water zag, o God, U komen;
't Water zag U, en de stromen
Steigerden vol schrik omhoog;
D' afgrond werd beroerd en droog.
10
Dikke wolken goten water;
Hoger zwerk gaf fel geklater;
Uwe pijlen, zo geducht,
Vlogen vlammend door de lucht;
't Zwaar geluid der donderslagen
Deed het al in 't ronde wagen;
En de wereld werd verlicht
Door herhaalden bliksemschicht.
11
D' aarde sloeg van schrik aan 't beven,
Toen z' U langs Uw pad zag streven;
Zee en grote waters door,
In het nooit ontdekte spoor;
Toen G' Uw volk den weg bereiddet,
Daar Gij 't als een kudde leiddet.
Mozes' en Aarons hand
Bracht hen dus naar 't heilig land.

Datheen

1
Ik heb mijn stem opgeheven
En mijn schreien daarbeneven,
Tot U, Heer, en naar Uw woord
Hebt Gij mij voormaals verhoord;
In mijnen nood en benauwen
Stond op U al mijn betrouwen;
Ik heb mijn handen, Heer goed,
Tot U gestrekt met ootmoed.
2
Mijn ziel in dit groot verlangen,
En wil genen troost ontvangen;
Ja, als ik aan U denk, Heer!
Bedroefd ben ik dies te meer.
Al heb ik van ganser harte
Gebeden in angst en smarte.
Zo blijft toch mijn hart eenpaar
Vol benauwdheid en angst zwaar.
3
Gij hebt mij, o Heer genadig,
Wakker gehouden gestadig;
Ik ben zo kracht'loos daarvan
Dat ik schier niet spreken kan.
Als ik met druk ben doorsneden,
Gedenk ik des tijds voorleden,
D' oude jaren dag en nacht
Worden van mij overdacht.
4
Dat schoon, lieflijk spel der snaren
Kan uit mijnen zin niet varen,
Mijn hart vol smarten voorwaar
Gedenkt daaraan voor en naar,
Daarna tracht ik t' allen stonden,
Of ik dat eind mocht doorgronden
Dezes dings en dat verstaan;
Dies vang ik zo mijn klacht aan:
5
Zal mij God altijd versteken?
Is Hij gans van mij geweken;
Is mij nu in eeuwigheid
Geen genade meer bereid?
Zal Gods goedheid hoog geprezen
Hiermee nu gans'lijk uit wezen?
Zullen Zijn beloften fijn
Hiermee gans ten einde zijn?
6
Heeft God 't mijwaarts gaar vergeten
Zijne goedheid ongemeten?
Gaat nu Zijne toornigheid
Boven Zijn barmhartigheid?
Alzulks sprak ik tot die tijden;
Mijn God wil, dat ik zal lijden;
Hij heeft verwisseld Zijn hand
Die mij voortijds gaf bijstand.
7
Daarna werd ik ook indachtig
Der wonderdaden Gods krachtig,
Die Hij voormaals heeft gedaan:
Dezer deed ik ook vermaan.
Maar als ik zo ging aanmerken
Zijn heerlijke wonderwerken,
En al Zijn doen groot en klein,
Dan sprak ik bij mij allein:
8
O God! heilig zijn Uw wegen;
Niemand kan U spreken tegen;
Waar is er breed ofte wijd
Een alzulk God als Gij zijt?
Gij laat Uwe daden blijken
Door macht niet om vergelijken.
Gij doet de heid'nen vol pracht
Ondervinden Uwe kracht.
9
Gij hebt door Uw hand almachtig,
Uw volk verlost, Heere krachtig;
De kind'ren des Jakobs goed,
En des vromen Jozefs vroed.
Uwe vrees is, Heer, gekomen
Over al de waterstromen;
Voor Uw Majesteit terstond
Beefde, Heer, de diep' afgrond.
10
De wolken zeer dicht gesloten,
Hebben water uitgegoten;
En des donders groot geluid
Strekt hem in de wolken uit;
De vuurstralen hen uitspreiden,
Donderslagen hen uitbreiden.
De bliksem met den schijn fel
Ontstak 't gans aardrijke snel.
11
Den aardbodem zag men beven,
En Gij gaaft enen weg even
Door 't meer tot Uws volks oorboor,
Daar geen voetpad was te voor.
Gij leidet Uw volk bekwame
Als een kudde schapen t' zame,
Door Mozes en Arons hand
In dat schoon beloofde land.

Overige
Gereformeerd kerkboekRoepend om gehoor te vinden
Liedboek 1973Roepend om gehoor te vinden
Marnix van St. AldegondeMijn stemm' is tot God gheclommen
Bladmuziek

categorie:
arrangeur:

Vocale tegenstem
E. Egberts
partituur  midi
voor bes-instrument  

Afbeelding
Video
Hieronder staan een aantal video's. Hier kunnen video's tussen staan die niets met deze psalm te maken hebben.

© juichtaarde.nl

Dan groeit in mij steeds sterker dit verlangen:
Laat heel de wereld zien, hoe echt uw liefde is
tekst & muziek: Paul Oakley (o.a. Opwekkingsbundel 494)