Psalm 76

Terug naar psalm overzicht

Info
 

Melodie

midi bestand
1773

1
God is bekend bij Judas stam,
Waar Hij Zijn hogen zetel nam;
Zijn Naam is groot in Israel;
In Salem staat op Zijn bevel
De hutte van dien Hemelkoning;
Op Sion is Zijn heilge woning.
2
Daar heeft de vijand boog en schild
En vuurge pijlen op verspild.
God brak het zwaard, bedwong den krijg.
Dat vrij het roofgebergte zwijg'.
Uw roem, o groot en heerlijk Wezen,
Is tot veel hoger top gerezen.
3
Stouthartigen zijn daar beroofd;
Daar sliep en heir en opperhoofd.
De kloekste had geen handen meer,
Maar viel in 't stof verslagen neer.
O God van Jakob, door Uw schelden
Vergingen paarden, wagens, helden.
4
Gij, vreeslijk zijt Gij in 't gericht;
Wie zal bestaan voor Uw gezicht?
Zo ras Uw mond het vonnis streek,
Uw oordeel van den hemel bleek,
Toen vreesde d' aarde voor Uw ogen;
Toen werd ze stil door Uw vermogen.
5
Als God ter hoge vierschaar steeg,
't Zachtmoedig volk verlossing kreeg;
Ontzette zich het gans heelal.
Gewis, der mensen gramschap zal,
Wanneer z' op 't hevigst is aan 't blaken,
Uw groten lof nog groter maken.
6
Woedt nog de wraaklust onbeschroomd,
Die wordt door U ras ingetoomd.
Doet dan geloften aan den HEER',
Betaalt die, uwen God ter eer.
Gij allen, die dien groten Koning
Omringt in Zijn doorluchte woning.
7
Men voer' dien God geschenken aan;
Die vreeslijk is in al Zijn daan.
Hij stoot de vorsten weg in 't graf
En snijdt hun geest als druiven af,
Hij, die den koningen der aarde
Zelfs op hun tronen, vreze baarde.

Datheen

1
God is in Judea zeer wel
Bekend en overal vermaard;
Zijn Naam en kracht in IsraČl
Zijn geroemd en geopenbaard;
In Salem en tot Sion schone
Staat dat huis fijn van Zijne wone.
2
Daar ziet men, dat Hij breekt zeer kleen
Kracht'lijk den boog en pijlen t' zaam;
Schilden, zwaarden en ook meteen
Den krijg met zijn rusting bekwaam;
En toont, dat Hij meer zij te vruchten,
Dan men de straatrovers moet duchten.
3
Slapende zijn de stouten zaan,
Beroofd harer goederen groot;
De krijgers, die op haar kracht staan,
Laten vallen de handen bloot.
Uwe toorn doet haast in slaap vallen
Paarden en wagenen met allen.
4
Gij zijt verschrikkelijk gaar zeer,
Gij, o mijn God! en niemand el!
Wie zal voor U bestaan, o Heer!
Wanneer Gij toont Uw gramschap fel?
Als Gij Uw oordeel hebt gegeven,
Moet dat aardrijk schrikken en beven.
5
Dan stond Gij op en hebt verkond
Uw oordelen en gemaakt vrij
D' ellendigen ter zelfder stond,
En hebt die getroostet zeer blij.
Als de mensen tegen U strijden,
Gij behaalt eer aan alle zijden.
6
Gij zult ombrengen 't ganse rot
Der woedende boosdaders kwaad.
Elk doe beloften onzen God,
En volbrenge die met der daad;
Doet zulks gij, die daar woont beneven
Des Heeren woning hoog verheven.
7
Brengt God gaven, die vrees'lijk is,
En wreekt Zijnen smaad ende schand';
Ja Hem, Die door Zijn kracht gewis
Den koningen neemt haar verstand;
Die schrikk'lijk is en groot van waarde
Alle koningen op de aarde.

Overige
Gereformeerd kerkboekHeel Juda kent Gods naam en eer
Liedboek 1973God wordt ge-eerd in Isra-el
Marnix van St. AldegondeGod is in Juda recht bekent
Bladmuziek
Van deze psalm zijn er geen muziekbewerkingen.
Afbeelding
Video
Hieronder staan een aantal video's. Hier kunnen video's tussen staan die niets met deze psalm te maken hebben.

© juichtaarde.nl

Juicht, o volken, juicht, handklapt,
en betuigt onzen God uw vreugd
psalm 47, berijming 1773