Psalm 74

Terug naar psalm overzicht

Info
 

Melodie

midi bestand
1773

1
Waarom, o God, zijn wij in eeuwigheid
Van Uwe gunst en onderstand verstoken?
Hoe kan Uw toorn dus tegen ons nog roken,
Die schapen zijn, zelfs door Uw Hand geweid?
2
Herdenk de trouw, aan ons voorheen betoond;
Denk aan Uw volk, door U van ouds verkregen;
Denk aan Uw erf, het voowerp van Uw zegen;
Aan Sions berg waar G' eertijds hebt gewoond.
3
Ruk spoedig aan, verdubbeld Uwe schreen;
Zie, hoe de stad verwoest ligt en vergeten;
Des vijands macht heeft alles neergesmeten,
Uw heiligdom verdorven en vertreen.
4
Uw vijand heeft ter plaatse van 't gebed,
Gelijk een leeuw gebruld bij 't zegevieren.
Zelfs, U ten schimp, heeft hij zijn krijgsbanieren
In trotsen moed, tot tekenen gezet.
5
Elk woedt om strijd, en toont zich onbeschroomd;
Men houwt en hakt, dat poort en binten beven,
Gelijk men slaaft, om bijlen aan te geven,
En ijvrig kapt in 't hoog en dicht geboomt'.
6
Dus hebben z' ook, doldriftig, onbesuisd,
Graveerselen, pilaren, wanden, bogen,
Wier kunstsieraad de lust was van elks ogen,
Met zwaard, houweel en hamer woest vergruisd.
7
Uw heiligdom is door het vuur verteerd;
Niets heeft zijn glans voor 't woen des gloeds beveiligd.
Uw schoon paleis, Uw woning is ontheiligd,
Ten gronde toe in puin en as verkeerd.
8
"Laat", zeiden zij, "laat ons het ganse land,
Geplunderd, voor onz' overmacht doen zwichten."
Hun wrede vuist heeft al de Godsgestichten,
Uw naam ten hoon, verbrijzeld of verbrand.
9
Wij zien aan ons, na al dit ongeval,
Geen teeknen meer van Uwe gunst gegeven.
Niet een profeet is ons tot troost gebleven;
Geen stervling weet, hoe lang dit duren zal.
10
Hoe lang, o God, zal in dit zwaar verdriet,
De vijand ons zijn wrede trotsheid tonen;
Zal hij Uw Naam in eeuwigheid dan honen?
Neen, 't kan niet zijn ; dat duldt Uw glorie niet.
11
Ach, waarom trekt G' Uw hand dus van ons af,
Uw rechterhend, die ons ten steun kan strekken?
Ai, wil haar eens uit Uwen boezem trekken,
En maak een eind aan Uw gestrenge straf.
12
Gij, evenwel, Gij blijft dezelfd', o HEER';
Gij zijt van ouds mijn toeverlaat, mijn Koning,
Die uitkomst gaaft, en uit Uw hemelwoning,
Voor ieders oog Uw haatren gingt te keer.
13
Gij spleet weleer de Schelfzee door Uw kracht;
Gij hebt den kop der woest' en felle draken,
Het vreeslijk heir, dat Isrel dorst genaken,
ln 't hart der zee, verbroken door Uw macht.
14
Uw sterke hand heeft 's Leviathans woen,
Betoomd, gestuit; deed Farao bezwijken;
Waar 't woest gediert' aan duizenden van lijken,
Op 't dorre strand, zijn rooflust mocht voldoen.
15
Hoe menigmaal hebt G' ons Uw gunst betoogd,
't Zij G' een fontein deedt uit een rots ontspringen.
Of op een hoop de waatren samendringen,
Wanneer de stroom door U werd uitgedroogd.
16
De dag is d' Uw'; ook vormdet Gij den nacht;
Gij schiept het licht, de zon met gloed en stralen;
Door U is d' aard' gesteld in juiste palen;
Elk jaarseizoen hebt Gij tot stand gebracht.
17
Herdenk, mijn God, herdenk die wonderdaan!
Een dwaas geslacht heeft Uwen naam gelasterd;
De vijand, van Uw vrees en dienst verbasterd,
Heeft Uwen roem met smaad en schimp belaan.
18
Geef 't wild gediert', dat niets in 't woen ontziet,
De ziele van Uw tortelduif niet over;
Laat, grote God, om een gehaten rover,
Uw kwijnend volk niet eeuwig in 't verdriet.
19
Beschouw, herdenk Uw vastgestaafd verbond;
Laat dat Uw hart tot ons in liefd' ontvonken;
Het land is vol van duistre moordspelonken,
Vanwaar 't geweld ons grieft met wond op wond.
20
Dat elk verdrukt' Uw bijstand eens erlang';
Laat, laat Uw volk niet schaamrood wederkeren;
Maar wil van hen ellend' en nooddruft weren,
Opdat z' Uw naam verheffen in gezang .
21
Rijs op, o God, rijs op, toon Uw gezag;
Betwist Uw zaak, wees onze pleitbeslechter,
't Is meer dan tijd; gedenk, o hoogste Rechter,
Wat smaad de dwaas U aandoet dag op dag.
22
Vergeet niet, HEER', dien onverdraagbren hoon,
Dat luid geroep van al Uw weerpartijders.
Het woest getier van Uwe machtbestrijders.
Stijgt telkens op tot voor Uw hemeltroon.

Datheen

1
Hoe komt 't, dat Gij ons verstrooit, o God mijn?
Dat Uw gramschap, over ons zeer ontsteken,
Dikken rook uitwerpt, zo 't hier heeft gebleken,
Die wij toch schapen Uwer weide zijn.
2
Uwes volks, dat Gij hebt verworven rein,
Gedenkt toch eens, en Uw erfdeel bevrijdet;
Gedenk den berg Sion, die nu angst lijdet,
Dien Gij verlost en gekocht hebt allein.
3
Sta op Heer! en gans'lijk te niete doet
Den hoop der godd'loze vijanden t' zamen,
Die moedwilliglijk, zonder hen te schamen,
Uw huis wredelijk treden onder voet.
4
Daar Uw werken voortijds waren verteld,
Daar hoort men ze brullen en wreed'lijk tieren;
Haar schand'lijke tekenen en banieren
Hebben zij daar opgericht en gesteld.
5
Een ieder van hen arbeidt nu met vliet,
Om Uwen heil'gen tempel te verderven;
Met bijlen zij even houwen en kerven,
Zo zulks in enen groten bos geschiedt.
6
't Heerlijk schutwerk uitgesneden zo wel
't Welk een sieraad Uws huis was onderwijlen.
Hebben zij met houwmessen en met bijlen
Ontstuk gehouwen en verwoest zeer snel.
7
Zij hebben ook met den vure verbrand
Uw heilig huis, 't welk zeer hoog was verheven;
Zij hebben 't ook ontheiligd en daarneven
Verdorven, ja gemaakt slecht als het land,
8
Haast spreken zij: Laat ons deez' worgen al,
Zij hebben ook met harten zeer moorddadig,
Uw heil'ge plaatsen wreed en ongenadig
Verbrand en overal gebracht ten val.
9
Ach! wij zien geen tekenen meer voortaan
Uwer gunst; de profeten ons ontbreken;
Niemand wil voor ons noch strijden, noch spreken;
Wanneer zal Uwe toorn van ons toch gaan?
10
Hoe lang zult Gij nog dulden, o Heer!
Dat de booz' Uwen Naam zo zullen schenden?
Zal ook dat lasteren nimmermeer enden,
Daarmee zij Uwe kracht bespotten zeer?
11
Hoe komt 't, dat Gij Uwe hand zo stil houdt,
En over ons Uw rechterhand niet strekket?
Nochtans is 't nood, dat Gij die nog eens trekket
Uit den schoot, ter hulp Uwes voks benauwd.
12
Gij zijt toch mijn Koning van ouden tijd,
Die mij wilt en openlijk kunt bewaren.
Als mij zware nood hier is wedervaren;
Gij hebt mij duizendmaal daarvan bevrijd.
13
Gij hebt gedeeld dat meer door Uwe kracht;
De schrikk'lijke draken hebt Gij verslagen,
Zodat wij de waterkanten vol zagen
Van monsters, die Gij, Heer, hadt omgebracht.
14
Gij slaat den walvis, Heer, met krachten dood,
Het volk in de woestijne tot een spijze.
Gij brengt ook voort, gans op een nieuwe wijze,
Waterfonteinen uit steenrotsen groot.
15
Gij stilt den vloed der waterstromen breed;
Dag ende nacht hoort U toe desgelijken;
De zon en de sterren zonder afwijken,
Houdt Gij in gewissen gang met bescheed.
16
De landpalen hebt Gij gesteld alleen
Over de ganse wereld, Heer almachtig!
De zomer heet, winter, en dat ijs krachtig,
Zijn Uwer handen werken algemeen.
17
Gedenk Heer! hoe Uwe vijanden fel
Uw eer verminderen en boos'lijk schenden;
Hoe dat uitzinnig volk aan alle enden
Uwen Naam schoon lastert met zijn opstel.
18
Wil deze wreden overgeven niet
De ziel Uwes tortelduifkens deemoedig;
Wil ook niet eeuwig vergeten, Heer goedig,
Uw arm volk, 't welk men nu troosteloos ziet.
19
Gedenk Heer! aan Uw opgericht verbond,
Dewijl 't aardijk zo hard is onderdrukket,
En dat het onder geweld en last bukket
Der bozen, die veel zijn tot dezer stond.
20
Laat Uwen armen knecht niet beschaamd zijn;
Maar geef hem veeleer oorzaak om te zingen
Van Uwen Naam; dat zij mogen ontspringen,
Die benauwdheid lijden, met smaad en pijn.
21
Heer! voer Uw zaak uit, van den slaap opstaat.
En wil deez' grote smaadheid niet vergeten,
Die U daag'lijks met spotten wordt verweten
Van dit volk, 't welk Uwen Naam steeds versmaadt.
22
Dat bitter roepen en tieren aanhoort
Der vijanden, die gans uitzinnig razen;
Haar schreeuwen vol van hoogmoed opgeblazen,
Wordt langs zo groter en vaart altijd voort.

Overige
Gereformeerd kerkboekWaarom, o God, verstoot U voor altijd
Liedboek 1973Waarom , o God, verstoot Gij voor altoos
Marnix van St. AldegondeO Godt waerom verstootstu ons soo wijt,
Bladmuziek
Van deze psalm zijn er geen muziekbewerkingen.
Afbeelding
Video
Hieronder staan een aantal video's. Hier kunnen video's tussen staan die niets met deze psalm te maken hebben.

© juichtaarde.nl

Zingt voor den Heer op nieuwe wijze,
zing aarde, zing zijn naam ten prijze,
boodschap zijn heil van dag tot dag,
wek bij de volken diep ontzag
voor 't wonder van zijn gunstbewijzen.
psalm 98, berijming Liedboek