Psalm 72

Terug naar psalm overzicht

Info
 

Melodie

midi bestand
1773

1
Geef, HEER', den Koning Uwe rechten,
En Uw gerechtigheid
Aan 's Konings zoon om Uwe knechten,
Te richten met beleid.
Dan zal Hij al Uw volk beheren,
Rechtvaardig, wijs en zacht;
En Uw ellendigen regeren;
Hun recht doen op hun klacht.
2
De bergen zullen vrede dragen,
De heuvels heilig recht;
Hij zal hun vrolijk op doen dagen,
Het heil, hun toegezegd.
't Ellendig volk wordt dan uit lijden
Door Zijnen arm gerukt
Hij zal nooddruftigen bevrijden;
Verbrijzlen, wie verdrukt.
3
Zij zullen U eerbiedig vrezen,
Zolang er zon of maan
Bij 't nageslacht ten licht zal wezen,
En op- en ondergaan.
Hij zal gelijk zijn aan den regen,
Die daalt op 't late gras;
Aan droppels, die met milden zegen
Besproeien 't veldgewas.
4
't Rechtvaardig volk zal welig groeien;
Daar twist en wrok verdwijnt,
Zal alles door den vrede bloeien,
Totdat geen maan meer schijnt.
Van zee tot zee zal Hij regeren,
Zover men volkren kent;
Men zal Hem van d' Eufraat vereren,
Tot aan des aardrijks end.
5
Het woeste volk zal voor Hem knielen;
Zijn vijand lekt het stof;
En Tarsis voert, met rijke kielen,
Geschenken naar Zijn hof.
Met giften zullen langs de stromen,
De koningen der zee,
En Scheba nevens Seba komen,
Hem smekend om den vree.
6
Ja, elk der vorsten zal zich buigen
En vallen voor Hem neer;
Al 't heidendom Zijn lof getuigen,
Dienstvaardig tot Zijn eer.
't Behoeftig volk, in hunne noden
In hun ellend' en pijn,
Gans hulpeloos tot Hem gevloden,
Zal Hij ten redder zijn.
7
Nooddruftigen zal Hij verschonen;
Aan armen, uit gena
Zijn hulpe ter verlossing tonen;
Hij slaat hun zielen ga.
Als hen geweld en list bestrijden,
Al gaat het nog zo hoog;
Hun bloed, hun tranen en hun lijden
Zijn dierbaar in Zijn oog.
8
"Zo moet de Koning eeuwig leven."
Bidt elk met diep ontzag;
Men zal Hem 't goud van Scheba geven,
Hem zeegnen, dag bij dag.
Is op het land een handvol koren,
Gekoesterd door de zon,
't Zal op 't gebergt' geruis doen horen,
Gelijk de Libanon.
9
De stedelingen zullen bloeien,
Gelijk het malse kruid.
Zijn Naam en roem zal eeuwig groeien;
Ook zal, eeuw in, eeuw uit,
Het nageslacht Zijn grootheid zingen,
Zolang het zonlicht schijn',
Hun zal een schat van zegeningen,
In Hem, ten erfdeel zijn.
10
Dan zal na zoveel gunstbewijzen,
't Gezegend heidendom,
't Geluk van dezen Koning prijzen,
Die Davids troon beklom.
Geloofd zij God, dat eeuwig Wezen,
Bekleed met mogendheen;
De HEER', in Israel geprezen,
Doet wondren, Hij alleen.
11
Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen;
Men loov' Hem vroeg en spa;
De wereld hoor', en volg' mijn zangen,
Met amen, amen na.

Datheen

1
Wil toch Uw gericht overgeven
Uwen Koning, o Heer!
En Uw gerechtigheid daarneven
Zijnen Zone met eer;
Opdat Hij al Uw volk voortrede
In de gerechtigheid,
En d' armen bescherme met vrede,
In alle billijkheid.
2
Dat de bergen den vrede rijke
Onder 't volk brengen voort,
En de heuvelen desgelijke
Dat recht, Heer, naar Uw woord.
Hij zal die bij dat recht bewaren,
Die met nood zijn gekweld;
En uitroeien die ze bezwaren,
Met kracht ende geweld.
3
Van een ieder der onderdanen
Zult Gij steeds eer ontvaan,
Zo lang als de zon en de mane
Zullen schijnen voortaan.
Hij daalt als de regen bekwame
Op 't veld aan elken kant,
En als de dauw zeer aangename
Op dat verdorde land.
4
Onder Zijn rijk zullen schoon bloeien
De goede mensen al;
In pais zullen zij zo lang groeien,
Als de maan schijnen zal.
Van d' een zee strekt Zijn rijk geprezen
Tot d' ander zee bekend;
Van Eufrates zal 't verbreid wezen
Tot aan des werelds end.
5
Hem zullen met gevouwen handen
Moren vallen te voet;
Ook zullen kussen Zijn vijanden
D' aarde met groot ootmoed.
Die in 't meer heersen en d' eilanden,
Zullen geschenk doen rein,
D' Arabers zullen met verstande
't Zelfde doen algemein.
6
Alle koningen zullen t'zame
Hem aanbidden meteen;
De heid'nen zullen Zijnen Name
Prijzen groot ende kleen.
Hij zal den armen, t' zijner baten
Verlossen, die nu schreit;
En helpen hem, die is verlaten,
Uit zijn ellendigheid.
7
Hij zal den armen en den klenen
Genadig zijn en goed.
Dengenen, die schreien en wenen
Werd Hij vriend'lijk en zoet,
Hij zal ze voor 't geweld bewaren,
En voor bedrog zeer kwaad;
Hij zal ook 't bloed Zijner dienaren
Hoog achten vroeg en spaad'.
8
Den armen zal Hij ook uitgeven
Dat Arabische goud;
Zij zullen Hem alle haar leven
Dienen t' zaam met eenvoud.
Dat koorn zal overvloedig wezen,
't Veld vol zijnd' overal,
Gelijk de bomen hoog gerezen
Des Libans ruisen zal.
9
Dan zullen bloeien in de steden
Burger ende koopman;
Zij zullen toenemen in vrede;
Gelijk 't groen gras voort-an.
Des Konings Naam zal bekend blijven,
Elk zal dies doen vermaan!
Zijn roem zal zo lange beklijven,
Als zon en mane staan.
10
Der heidenen alle geslachten
Werden Hem onderdaan.
Zij zullen Hem gelukkig achten
En prijzen Hem voortaan,
Sprekende: Geloofd zij de Heere
Des volks van IsraČl,
Die in 't werk is wonderlijk zere,
Ja Hij en niemand el.
11
Heerlijk geloofd werde Zijn Name
Tot in der eeuwigheid;
De landen moeten vol zijn t' zame
Van Zijne heerlijkheid.

Overige
Gereformeerd kerkboekO God, wil aan de koning schenken
Liedboek 1973Geef, Heer, de koning uew rechten
Marnix van St. AldegondeUerleen den Coninck dijn gherichten
Bladmuziek
Van deze psalm zijn er geen muziekbewerkingen.
Afbeelding
Video
Hieronder staan een aantal video's. Hier kunnen video's tussen staan die niets met deze psalm te maken hebben.

© juichtaarde.nl

Hij is Heer, geef Hem eer,
heel de aarde, heel de hemel,
want wij leven voor de glorie van uw naam
(Opwekkingsbundel 586)