Psalm 71

Terug naar psalm overzicht

Info
 

Melodie

midi bestand
1773

1
'k Betrouw op U, hoor mijn gebeden:
Dat mij geen schaamt', o HEER',
In eeuwigheid verneer'.
Red mij, door Uw gerechtigheden,
Bevrijd mij, neig Uw oren;
Verlos mij; wil mij horen.
2
Wees mij een rots, om in te wonen;
Een schuilplaats, waar mijn hart
Steeds toevlucht vind', in smart.
Uw hoog bevel zal blijkbaar tonen,
Dat Gij, o groot' Ontfermer,
Mijn burg zijt en beschermer.
3
Bevrijd mij van 't geweld des snoden,
Die 't heilig recht verkracht;
Wiens trotsheid mij veracht.
Ik wacht op U, o God der goden,
Op Wien ik vast vertrouwde,
Van dat ik 't licht aanschouwde.
4
Zo Gij, van dat ik werd geboren,
Ja, van mijn eerst begin,
Mij niet, uit teedre min,
Hadt ondersteund, 'k waar' lang verloren;
Dies doe ik, in gezangen,
U steeds mijn lof ontvangen.
5
'k Was als een wonder in elks ogen;
Doch Gij, mijn toevlucht, Gij
Stondt mij met sterkte bij;
Laat dan mijn mond Uw Naam verhogen,
En al mijn levensdagen
Van Uwen roem gewagen.
6
Verwerp mij niet in hoger jaren;
Laat bij den ouderdom,
Dien 'k in Uw gunst beklom,
Uw voorzorg over mij niet varen;
Laat met de kracht van 't leven,
Uw hulp mij niet begeven.
7
Hen, die op mijne ziele loeren,
Hoort men in hunnen raad,
Uit onverzoenbren haat,
Een goddeloze schimptaal voeren,
En tegen recht, te zamen
Mijn ondergang beramen.
8
"Ziet", zeggen zij, "hij ligt verschoven;
God staat niet aan zijn zij;
Jaagt, jaagt hem; grijpt hem vrij;
Hij kan geen uitkomst zich beloven."
O God, toon m' Uw ontferming,
En haast U ter bescherming.
9
Doe hen beschaamd staan en bezwijken,
Wier woede mij bestrijdt,
Wier haat mijn rust benijdt;
Doe hen met smaad en schande wijken,
Die tegen mij zich sterken,
En mijne ramp bewerken.
10
Mijn hart zal steeds op U vertrouwen;
Mijn mond vindt tot Uw lof
Gedurig ruimer stof
En zal Uw recht en heil ontvouwen,
Schoon ik de reeks dier schatten
Kan tellen noch bevatten.
11
Ik zal blijmoedig henen treden
In 's HEEREN mogendheid;
Mijn hart is uitgebreid,
O HEER', om Uw gerechtigheden,
Ja die alleen, te prijzen,
Op aangename wijzen.
12
Gij hebt mij van mijn kindse dagen
Geleid en onderricht;
Nog blijf ik naar mijn plicht,
Van Uwe wondren blij gewagen.
O God, wil mij bewaren
Bij 't klimmen mijner jaren.
13
Blijf mij in mijne grijsheid sterken;
Verkwik mijn ouderdom;
Bewaak mij van rondom;
Zo meld' ik dit geslacht Uw werken;
Zo zal 'k Uw grootheid zingen
Voor hun nakomelingen.
14
Ik roem, o eeuwig Alvermogen,
'k Roem Uw gerechtigheid,
Die zoveel glans verspreidt,
Zo heerlijk schittert uit den hoge,
O HEER' der legerscharen,
Wie kan U evenaren?
15
Gij deedt mij veel benauwdheid smaken
En drukkend harteleed,
Maar tot mijn hulp gereed
Zult Gij mij weder levend maken;
Mij uit den afgrond trekken,
En met Uw vleuglen dekken.
16
Gij zult met luister mij omringen,
Mij troosten in mijn smart.
Dan zal ik, blij van hart,
Met luit en harp Uw goedheid zingen,
O heilig Opperwezen,
Door Israel geprezen.
17
Mijn lippen zullen juichend roemen,
In psalmen, U gewijd,
Dat Gij mijn helper zijt;
Mijn tong zal U mijn redder noemen,
Uw gunst den Godgetrouwen
Den gansen dag ontvouwen.
18
'k Zal Uw gerechtigheid verheffen,
Die mij in eer herstelt,
Die al mijn haters velt.
'k Zie hen door schand' en schaamte treffen;
Ik zie hen schaamrood vluchten,
Die mijne ziel doen zuchten.

Datheen

1
Mijn hoop stel ik op U gestadig;
Wil mij bewaren, Heer,
Voor een eeuwig oneer;
Verlos mij, o mijn God genadig,
Door Uw goedheid geprezen;
Wil mij bijstandig wezen.
2
Help mij en neig tot mij Uw oren;
Wees toch mijn toeverlaat
In den nood mij bijstaat,
Gij hebt mij te helpen gezworen:
Geen sterkten groot noch kleine,
Heb ik dan U alleine.
3
Uit der bozen handen onreine,
Uit der tirannen hand,
Die geweld doen in 't land,
Help mij; want troost noch hulpe gene,
En had ik al mijn leven,
Dan U, o Heer verheven!
4
Zo haast als ik hier was geboren
Uit mijn moeders lichaam,
Heb ik op Uwen Naam
Mijn hoop gesteld, Heer uitverkoren!
Uwen Naam t' allen tijden
Verbreid ik met verblijden.
5
Men houdt mij voor een zeer vreemd wonder!
Doch Gij zijt, Heer! mijn kracht,
Mijn toevlucht dag en nacht.
Maak, dat ik mag zijn een verkonder
Uws lofs en Uwer ere,
En die steeds mag vermeren.
6
Als ik, Heer! oud en koud zal wezen,
En zwak vol van verdriet,
Wil mij verwerpen niet;
Als ik ook zal zijn, Heer geprezen!
Ellendig bovenmate,
Wil mij dan niet verlaten.
7
Want tegen mij houden te zamen,
Mijn vijanden zeer kwaad
Enen listigen raad;
En tegen mij, wreed en gruwzame,
Met een zij hen verbinden,
Die mij willen verslinden.
8
Zij spreken: Haast laat ons hem vangen,
Want geen hulpe voorwaar.
Vindt hij verre nog naar.
Dies wil van mij in dit verlangen
Niet wijken; maar u Heere,
Tot mijn hulp haasten zere.
9
De haters die mij staan naar 't leven,
Moeten beschaamd zijn al,
En haast komen ten val;
Die tot mijn schanden hen begeven,
Laat z' o Heer! zijn misprezen
En met spot bedekt wezen.
10
Boven de daag'lijkse lofzangen,
Zal van mij zijn verbreid,
Heer, Uw gerechtigheid.
De gaven, die ik heb ontvangen,
Die niet zijn om doorgronden,
Zal ik altijd verkonden.
11
Ik zal vrijmoediglijk daar treden
En zien de werken aan,
Die Gij Heer, hebt gedaan.
Van mij werden altijd beleden
Uw oprechte voetpaden
En Uw grote weldaden.
12
Van jongs aan heb ik, Heer geprezen,
Uwe werken verstaan,
Daarvan doende vermaan.
Dies als ik oud en grijs zal wezen,
Wijk dan niet van mij, Heere,
Dien ik alleen verere.
13
Totdat ik allen, die nu leven,
En ook haren geslacht
Verklaard heb Uwe macht.
Uw oordelen zijn hoog verheven,
Daardoor Gij, zo wij merken,
Doet zeer veel wonderwerken.
14
Wie is met U te vergelijken?
Die mij proeft met angst groot,
Kruis en allerlei nood;
Die mij geeft van nieuws, zo 't mag blijken,
't Leven tot zijn oorboren,
't Welk scheen te zijn verloren.
15
Uit den diepen put onder d' aerde,
Hebt Gij mij gevoerd, Heer,
En mijn rijk verbreid zeer.
En als ik overweldigd werde,
Met Uw aangezicht krachtig,
Troost Gij mij, Heer almachtig.
16
Dies zal ik op den psalter spelen
En zingen met bescheid
Van Uw getrouwigheid.
God IsraČls; zonder vervelen
Zal ik Uw lof voortbringen
Op de harp en U zingen.
17
Mijn lippen haar in U verblijden
En prijzen ook eenpaar
Uwe heerlijkheid klaar.
Mijn ziel, die Gij hebt uit dat lijden
Gebracht, die is ontsteken
Met vreugd', Heer, onbezweken.
18
Mijn tong wil ik U overgeven,
Om Uw gerechtigheid
Te melden overbreid.
Gij verderft de booz' ongenadig,
Dat ze met schande sterven,
Die zoeken mijn verderven.

Overige
Gereformeerd kerkboekBij U, o HEER, berg ik mijn leven
Liedboek 1973Heer, laat mij schuilen in uw hoede
Marnix van St. AldegondeOp dy o Heer mijn hop' ick bouwe,
Bladmuziek
Van deze psalm zijn er geen muziekbewerkingen.
Afbeelding
Video
Hieronder staan een aantal video's. Hier kunnen video's tussen staan die niets met deze psalm te maken hebben.

© juichtaarde.nl

Spreek van zijn wonderen overal, dat heel de wereld Hem prijzen zal
tekst & muziek: Stuart Townend (o.a. Evangelische liedbundel 371)