Psalm 68

Terug naar psalm overzicht

Info
 

Melodie

midi bestand
1773

1
De HEER' zal opstaan tot den strijd;
Hij zal Zijn haters, wijd en zijd,
Verjaagd, verstrooid, doen zuchten;
Hoe trots Zijn vijand wezen moog',
Hij zal voor Zijn ontzagglijk oog,
Al sidderende vluchten.
Gij zult hen, daar G' in glans verschijnt,
Als rook en damp, die ras verdwijnt,
Verdrijven en doen dolen.
't Goddloze volk wordt haast tot as,
't Zal voor Uw oog vergaan als was,
Dat smelt voor gloende kolen.
2
Maar 't vrome volk, in U verheugd,
Zal huppelen van zielevreugd,
Daar zij hun wens verkrijgen.
Hun blijdschap zal dan, onbepaald,
Door 't licht, dat van Zijn aanzicht straalt,
Ten hoogsten toppunt stijgen.
Heft Gode blijde psalmen aan;
Verhoogt, verhoogt voor Hem de baan;
Laat al wat leeft Hem eren.
Bereidt den weg, in Hem verblijd,
Die door de vlakke velden rijdt;
Zijn Naam is HEER' der heren.
3
Springt op van vreugd, verheft Zijn lof,
Die, daar Hij woont in 't hemelhof
Een Vader is der wezen;
Die weduwen haar recht verschaft,
Die streng haar onderdrukkers straft,
En voor Zijn wraak doet vrezen;
Een God, die zet, uit mensenmin,
D' onvruchtbren in een huisgezin;
En, om Zijn macht te tonen,
Gevangnen uit de boeien redt;
Maar die verlaters van Zijn wet
Doet in het dorre wonen.
4
O God, toen Gij, met majesteit,
Uw Israel hebt uitgeleid,
En op Uw heil doen hopen;
Toen Gij langs Parans woesten grond
Hun voortoogt, schokte d' aard' in 't rond.
De hoge heemlen dropen;
De bergen rezen zelfs omhoog;
Men zag dit Sinai voor 't oog,
Van Isrels Koning beven.
Een milden regen zondt G', o HEER',
Op Uw bezwijkend, erfnis neer,
Om sterkt' aan haar te geven.
5
Uw hoop, Uw kudde woonde daar;
Uit vrije goedheid waart Gij haar,
Een vriendelijk beschermer
En hebt ellendigen dat land,
Bereid door Uwe sterke hand,
O Israels Ontfermer.
De HEER' gaf rijke juichensstof,
Om Zijne wondren en Zijn lof
Met hart en mond, te melden.
Men zag welhaast een grote schaar
Met klanken van de blijdste maar,
Vervullen berg en velden.
6
De koningen, hoe zeer geducht,
Zijn met hun heiren weggevlucht;
Zij vloden voor Uw ogen;
De buit van 't overwonnen land
Viel zelfs der vrouwen in de hand,
Schoon niet mee uitgetogen.
Al laagt g', o Isrel, als weleer,
Gebukt bij tichelstenen neer,
Toen gij uw juk moest dragen,
En zwart waart door uw dienstbaarheid,
U is een beter lot bereid;
Uw heilzon is aan 't dagen.
7
Gelijk een duif, door 't zilverwit
En 't goud, dat op haar veedren zit,
Bij 't licht der zonnestralen;
Ver boven andre vooglen pronkt,
Zult gij, door 't Goddlijk oog belonkt,
Weer met uw schoonheid pralen.
Wanneer Gods onweerstaanbre hand
De vorsten uit het ganse land
Verstrooid had en verdreven,
Ontving zijn erfdeel eedler schoon,
Dan sneeuw, hoe wit zij zich vertoon',
Aan Salmon ooit kon geven.
8
Dat Bazans hemelhoge berg
Met al zijn heuvlen Sion terg',
En wane t' overtreffen;
Wat springt gij, bergen, trots omhoog?
Wat wilt g' u, in der volkren oog,
Bij Sions berg verheffen?
God Zelf heeft dezen berg begeerd
Ter woning, om, aldaar geeerd,
Zijn heerlijkheid te tonen.
De HEER', die hem verkozen heeft,
Die trouwe houdt en eeuwig leeft,
Zal hier ook eeuwig wonen.
9
Gods wagens, boven 't luchtig zwerk,
Zijn tien- en tienmaal duizend sterk;
Verdubbeld in getalen;
Bij hen is Zijne Majesteit,
Een Sinač in heiligheid,
Omringd van bliksemstralen;
Gij voert ten hemel op, vol eer;
De kerker werd Uw buit, o HEER'.
Gij zaagt Uw strijd bekronen
Met gaven, tot der mensen troost,
Opdat zelfs 't wederhorig kroost
Altijd bij U zou wonen.
10
Geloofd zij God met diepst ontzag!
Hij overlaadt ons, dag aan dag,
Met Zijne gunstbewijzen.
Die God is onze zaligheid;
Wie zou die hoogste Majesteit
Dan niet met eerbied prijzen?
Die God is ons een God van heil;
Hij schenkt, uit goedheid, zonder peil,
Ons 't eeuwig, zalig leven;
Hij kan, en wil, en zal in nood,
Zelfs bij het naadren van den dood,
Volkomen uitkomst geven.
11
Gewis, hoe hoog de nood mag gaan,
God zal Zijns vijands kop verslaan;
Dien haargen schedel vellen;
Die trots, wat heilig is, onteert,
En, daar hij schuld met schuld vermeert
Zich tegen Hem durft stellen.
De HEER' heeft Zelf ons toegezeid :
"'k Zal u door macht en wijs beleid,
Uit Bazan weer doen komen;
U zullen, als op Mozes, bee,
Wanneer uw pad loopt door de zee,
Geen golven overstromen."
12
"Dan moogt g' in zegepraal uw voet,
Ja, uwer honden tong, in 't bloed
Van elken vijand steken."
O grote God, geduchte HEER',
Uw gangen, zo vol roem en eer,
Zijn aan Uw volk gebleken;
De gangen van mijn God en Vorst,
Wien, schoon Hij 's werelds rijkskroon torst,
Deez' woningen behaagden.
De zangrei trad den speelrei voor,
In 't midden ging het vrolijk koor
Der trommelende maagden.
13
Looft God in Zijn gemeent' alom,
Den HEER', gij, die in 't heiligdom,
Als Isrels kroost, moogt naadren,
Hoe vrolijk gaan de stammen op
Naar Sions godgewijden top,
Met Isrels achtb're vaadren!
De vorsten van elk huisgezin,
Zij trekken aan: hier Benjamin;
Schoon klein, hij mocht regeren;
Daar Judas stam, die glorie won;
Ginds Nafthali en Zebulon,
Om God, hun Koning, t' eren.
14
Uw God, o Isrel, heeft de kracht
Door Zijn bevel u toegebracht.
O God, schraag dat vermogen.
Versterk, hetgeen Gij hebt gewrocht,
En laat Uw hulp, door ons verzocht,
Uw volk voortaan verhogen.
Dan passen, Uwen Naam ter eer,
Om Uwes tempels wil, o HEER',
De vorsten op Uw wenken;
Zij zullen U van allen kant;
Zelfs uit het allerverste land,
Vereren met geschenken.
15
Scheld met Uw stem het wild gediert',
Dat in het riet zo weeldrig tiert;
De stier- en kalverbenden;
Het volk, dat stukken zilvers geeft,
En dus zich onderworpen heeft;
Maar loert op onz' ellenden.
Gewis, wij zien hen reeds berooid,
En 't oorlogszuchtig volk verstrooid;
Gezanten zullen naadren;
Egypte zal met Morenland,
Tot God verheffen hart en hand,
Den God van onze vaadren.
16
Gij koninkrijken, zingt Gods lof;
Heft psalmen op naar 't hemelhof
Van ouds Zijn troon en woning;
Waar Hij, bekleed met eer en macht,
Zijn sterke stem verheft met kracht,
En heerst als Sions Koning.
Geeft sterkt' aan onzen God en HEER';
Hij heeft in Israel Zijn eer
En hoogheid willen tonen.
Erkent dien God; Hij is geducht;
Hij doet Zijn sterkte boven lucht
En boven wolken wonen.
17
Hoe groot, hoe vrees'lijk zijt G' alom,
Uit Uw verheven heiligdom,
Aanbidd'lijk Opperwezen!
't Is Isrels God, die krachten geeft,
Van Wien het volk zijn sterkte heeft:
Looft God; elk moet Hem vrezen.

Datheen

1
Sta op, Heer, toon U onversaagd,
Zo werden verstrooid en verjaagd
Zeer haast al Uw vijanden.
Die God altijd hebben gehaat,
Zullen voor Hem met schand' en smaad
Vlieden in alle landen.
Ons God meteen verdrijven zal
Zijner vijanden gans getal,
Ja als rook doen verzwinden.
Gelijk dat was smelt voor dat vier,
Zal Hij alle godlozen hier
Verteren en verslinden.
2
Doch zullen de vromen verblijd.
Heer! Uwen Naam zingen altijd
En haar in U verblijden;
Zij werden van harten verheugd
En zullen voor God maken vreugd,
Juichende t' allen tijden.
Zingt nu vrolijk en looft den Heer,
Verbreidt met vreugd Zijnes Naams eer.
Prijst Zijn heerlijkheid t' zamen;
Die op de wolken vliegt en vaart,
En een Heer is zeer wijd vermaard,
Eeuwig God is Zijn Name.
3
Verblijdt u in God met ootmoed.
Hij is der wezen Vader goed,
En een Beschermer krachtig
Der weduwen in billigheid;
In den tempel vol heiligheid
Heeft Hij Zijn woonst eendrachtig.
Hij is 't, Die de eenzamen geeft
Een huis dat vol van kind'ren leeft,
Na haar langwijlig wachten.
De gevangenen Hij ontslaat,
En verstrikt de boosdaders kwaad,
Ja laat z' in 't land versmachten.
4
Als Gij Uw volk, Heer! hebt geleid,
En gingt voor hen wijd ende breid
In de grote woestijne;
Toen beefde dat aardrijk meteen,
De hemelen dropen gemeen,
Heer! voor Uwen aanschijne.
Ook deze berg Sina zo groot,
Voor Uw aanschijn, o Heer! verschoot,
God IsraČls geprezen!
Gij hebt ons den regen vruchtbaar
Gegeven, en getroost daarnaar
Uw erfdeel uitgelezen.
5
Gij verkwikt Uw volk goedertier,
En maakt dat een iegelijk dier
Daar woont zonder verderven
Uwen kind'ren deelt Gij Uw goed,
In 't kruis geeft Gij hun goeden moed,
Zonder troost zij niet sterven.
Gij hebt naar Uwe goedigheid,
Den reinen jonkvrouwen bereid
Een oorzaak zo 't mag blijken,
Om te zingen in 't ganse land,
Als onze vijanden met schand'
Veldvluchtig moeten wijken.
6
De koningen zeer groot geacht,
Zijn haastiglijk met al haar macht
Gevloden, zo wij weten.
Gods huisgenoten hebben stil
't Goed dezes volks naar haren wil
Gedeeld en uitgemeten,
Al is 't, dat gij (die algemeen
Gods volk zijt uit genaad' alleen)
Hier voormaals hebt geleken
Dengenen, die daar zitten hard
Tussen ketels als kolen zwart,
In onere versteken.
7
Nochtans als gij zult trekken uit
In 't veld met bazuinen geluid,
Gij werd schoner in d' ogen,
Als der duiven vleugelen klein,
Zijnde met goud en zilver rein
Versierd en overtogen.
Als onz' God door 't land henen ging,
Ende de koningen aanving
Te roeien uit haar wone;
Zo werd dat land rein, wit en klaar,
Gelijk de sneeuw is voor en naar,
Op Tsalmon den berg schone.
8
Gods berg, die is zeer wonderbaar,
Gelijk Basan den berg voorwaar
Staat hij hoog onbezweken.
Wat is 't, dat gij bergen rebel,
Met al uwe steenrotsen fel,
Gods berg zoekt te versteken?
God heeft dezen berg breed en wijd
Verkoren tot Zijn woonst altijd,
Naar Zijn goedheid geprezen;
Waar Hij eeuwig van nu voortaan
Zal wonen zonder te vergaan;
Dit zal Zijn ruste wezen.
9
Veel duizend engelen zeer schoon
Dienen den Heer voor Zijnen troon,
En zijn ook Zijn heirkrachten.
Door hen doet Hij zeer groot geweld,
Zo Hij tot Sina heeft in 't veld
Voormaals getoond met machten.
O Heer! Gij zijt gevaren op,
Brekende der vijanden kop,
Nemende die gevangen;
Gij hebt heerlijke gaven fijn,
Ons, die verstrooid hier en daar zijn,
Rijk'lijk laten ontvangen.
10
Gij hebt Uw vijanden verjaagd,
Om bij Uw volk zeer onversaagd
Te wonen vroeg en spade.
Geloofd zij God, Die ons meteen
Onderhoudt en zegent gemeen
Door Zijn kracht en genade.
God de Heer is onz' zaligheid!
Hij toont ons Zijn goedgunstigheid
Door verlossingen machtig
Het is God, Die Zijn volk vrij stelt,
En maakt dat het blijft ongekweld
Van 's doods geweld zeer krachtig.
11
Het is God, Die in stukken breekt
Den kop, ja in den grond versteekt
't Getal onzer vijanden,
Hij zal gans breken en verslaan
Dat hoofd dergenen, die voortgaan
In haar zonden en schanden.
God spreekt: Mijn uitverkoren al
Uit Basan Ik verlossen zal
(Die nu is zeer hoogmoedig);
Ik wil ze fraai ende gezond
Uit des meers allerdiepsten grond
Trekken met Mijn hand goedig.
12
Gij zult dan baden uwen voet
In al uwer vijanden bloed,
Die gij slaan zult en jagen.
Daar zal lekken een ieder hond
't Bloed uwer haters die gewond
Zullen zijn en verslagen.
Men zag daar, o mijn God en Heer!
Opbreken en voortgaan met eer,
D' ark des verbonds geprezen;
De zangers voor haar henen gaan
En de speellieden volgen aan
Met gezang uitgelezen.
13
De jonge maagden loven t' zaam
Met gezang daar des Heeren Naam,
Met haar trommelen reine,
En zeggen: O, gij IsraČl!
Loof den Heer met gezang en spel,
Onder u in 't gemeine.
Daar is Benjamin, die nu heeft
Grote macht, omdat Gij hem geeft
Te heersen over velen;
Juda, Zebulon, Naftalin
Met haar vorsten zijn komen in,
Vrolijk voor U te spelen.
14
IsraČl! God geeft u dat gij
Zijn koninkrijk aanschouwet vrij,
Hij regeert al uw werken.
Wil toch, Heer! Gij, Die ons bemint,
't Werk, dat Gij nu in ons begint,
Volvoeren en ons sterken.
Om Uwes tempels wil, o Heer!
Zullen U de koningen eer
Bewijzen met off'randen;
Dies wil met kracht overal snel
De bozen met haar wapen fel,
T' zamen brengen ter schande.
15
Wil de wrede stieren verdoen,
En jagen de volkeren koen
En haar heirkrachten dwingen.
Heer! breng de stouten tot ootmoed,
Opdat zij U vallen te voet,
En U tribuit toebringen.
De heren Egypti zeer rijk,
En ook de Moren al gelijk,
Met toegevouwen handen,
Zullen hen begeven al t' zaam
Tot U, en prijzen Uwen Naam,
En loven met verstande.
16
Prijst dien God, Die hoger gewis
Opvaart, dan zelfs de hemel is,
Die Hij gemaakt heeft reine.
Hij is 't, Die dat donderen maakt,
Waarvan de hemel beeft en kraakt,
Door Zijn sterkheid alleine.
Zijn almachtigheid toch bekent,
Zijn heerlijkheid schijnt zonder end
In 't land IsraČls binnen;
Hij is 't, Die alzins blijken doet
Zijn grote kracht in overvloed,
Die niet is om verwinnen.
17
Gij zijt, o Heer! zeer wonderbaar
In al de plaatsen daar Gij klaar
Uw heerlijkheid toont krachtig;
IsraČls toeverlaat Gij zijt,
En Uwes volks kracht; dies altijd
Looft men U, Heer almachtig!

Overige
Gereformeerd kerkboekDe Heer staat op in majesteit
Liedboek 1973God richt zich op, de vijand vlucht
Marnix van St. AldegondeLaet God den Heer slechts eens opstaen,
Bladmuziek
Van deze psalm zijn er geen muziekbewerkingen.
Afbeelding
Video
Hieronder staan een aantal video's. Hier kunnen video's tussen staan die niets met deze psalm te maken hebben.

© juichtaarde.nl

Kom en laat ons prijzen en juichen voor zijn grootheid,
want Hij, de grote Koning, heeft de wereld in zijn hand.
Tekst & muziek: Peter van Essen (Opwekkingsbundel 604)