Psalm 59

Terug naar psalm overzicht

Info
 

Melodie

midi bestand
1773

1
Red mij, o God, uit 's vijands handen;
Verlos mij van de dwingelanden.
Uw heil zij, tegen 't wreed geweld,
Mij tot een hoog vertrek gesteld.
Mijn God, 't behaag' U, mij t' ontzetten;
Daar d' overtreders van Uw wetten,
Die niet dan slinkse gangen gaan,
Bloeddorstig mij naar 't leven staan.
2
Laat, HEER', Uw bijstand niet vertragen;
Zie, hoe zij mijne ziel belagen.
Zij zijn doldriftig op de been,
En rukken al hun macht bijeen;
Schoon ik geen misdaad heb bedreven,
Die stof tot wraakzucht konde geven.
Waak op, ontmoet mij, en beschouw,
Hoe 'k op Uw macht alleen vertrouw.
3
Ja, 't lust, U, HEER' der legerscharen,
Als Isrels God U t' openbaren.
Ontwaak, en straf dit heidendom;
Dat niemand Uwe wraak ontkom'.
Zij trekken, trots op wanbedrijven
Waardoor zij trouwloos 't onrecht stijven,
De stad om, aan den avondstond,
En ieder tiert, gelijk een hond.
4
De snoodste laster stroomt d' ontaarden
Ten mond, uit; ja, geslepen zwaarden
Zijn op hun lippen; ieder woord
Is schimp, vervloeking, wraak en moord.
"Wie hoort het ?" vragen z' onder 't woeden;
Maar Gij, o Schutsheer aller goeden,
Zult hen belachen, en den spot
Haast drijven met al 't heidens rot.
5
Mijn vijand roem, op zijn vermogen,
Maar ik, ik sla op U mijn ogen;
Ik wacht op Uwe hulp, o HEER';
Gij zijt mijn hoog vertrek, mijn eer.
'k Zal God met goedertierenheden
Mij eerlang tegemoet zien treden,
En mij welhaast gewroken zien,
Aan hen, die listig mij bespien.
6
Beroof hen niet terstond van 't leven,
Opdat mijn volk, van angst ontheven,
Uw oordeel tevens niet vergeet'.
Uw macht' als Gij ter vierschaar treedt,
Doe elk van hen als balling zwerven,
En, 't kwaad ten spiegel, schandlijk sterven;
Ja, werp, o God, mijn Schild, hen neer,
Als trotse schenders Uwer eer.
7
Men neem' hen, daar hun lastermonden
En valse lippen 't hart doorwonden,
Gevangen in hun hovaardij.
Vergeld hun vloek, hun razernij,
De leugens, die zij snood verdichten.
't Betaamt U, hen gestreng te richten;
Verteer z' in grimmigheid; Uw kracht;
Verteer', verdelg, dat snood geslacht.
8
Laat hen eerlang bij d' uitkomst weten,
Dat God als Heerser is gezeten,
In Jakobs erf, daar 't kwade weert;
Ja, tot aan 's aardrijks eind regeert.
Laat, als het licht begint te dalen,
Hen wederkeren, zoeken, dwalen,
Vol ongeduld' van pad tot pad,
Als honden tierend om de stad.
9
Laat hen, o God, om spijs verlegen,
Omzwerven, en op nare wegen,
Vernachten in de duisternis;
Schoon geen van hen verzadigd is,
Maar ik zal U mijn sterkte noemen,
Uw goedheid 's morgens vrolijk roemen,
En zingen, met een dankbren geest:
"Gij zijt mijn hoog vertrek geweest."
10
Ik zal, omdat G' in bange dagen
Mijn toevlucht waart, van U gewagen;
Van U, mijn sterkte, zij mijn zang
En snarenspel, mijn leven lang.
Ik heb in nood, aan God verbonden,
In Hem mijn hoog vertrek gevonden;
In God, wiens goedertierenheid,
Zich over mij heeft uitgebreid.

Datheen

1
O Heer, ik ben van mijn vijanden
Omringd, verlos mij uit haar handen;
Van de bozen wil mij ontslaan,
Die uit haat naar mijn leven staan.
Van den boosdader wil mij vrijden,
Die niet dan kwaad zoekt t' alle tijden;
Van de bloedige handen fel
Dezes bloedhonds verlos mij snel.
2
Want ziet, zij loeren naar mijn leven,
In een verbond zij hen begeven;
Al de sterksten vangen zulks aan,
Daar ik hen niet hebbe misdaan.
Daartoe is 't dat zij hen nu stellen,
Opdat zij mij t' onrechte kwellen;
Dies waak op, Heer, en daarin ziet,
Voorkom mij toch in dit verdriet.
3
Ja Gij, o Heere der heirkrachten,
Die IsraČls God zijt vol machten,
Waak op, zie toch wat nu zeer koen
Alle volken en heid'nen doen.
Bewijs toch, Heer, die geen genade,
Die uit moedwille doen dat kwade;
's Nachts zijn ze hier en daar bijeen,
En huilen als honden onreen.
4
Omher gaan zij t' zaam met kwaadspreken;
Haar woorden als zwaarden scherp steken;
Zij zeggen onder hen mitsdien:
Wie zal ons horen ofte zien?
Maar Gij zult haar roemen, o Heere,
Nochtans eenmaal bespotten zere;
De hoogmoedigen zult Gij daar
Belachen, Heer, in 't openbaar.
5
Zonder U is, Heer, haar macht gene,
Daarom begeef ik mij allene
Tot U Heer, Die mijn toevlucht zijt
En mijn bewaring t' allen tijd.
God, Wiens goedheid ik heb gesmaket,
Voorkomt mijn ongeluk en maket,
Dat ik nog mijnen lust zien zal
Aan mijn vijanden overal.
6
Maar laat ze niet dood zijn gesmeten,
Dat de mijnen zulks niet vergeten;
Maar verstrooi ze door Uwe kracht
Overal en maak ze veracht.
Heer, Die onze schild zijt bevonden,
Sla ze door Uw kracht gans te gronden;
Harer lippen zonden zeer groot,
Verdienen recht angst ende nood.
7
Verstrik z' in haar hoogmoedig wezen,
Haar boosheid is hoog opgerezen;
Alle haar doen is in 't gemeen
Vloeken ende liegen meteen.
Laat Uwe toorn wezen ontsteken,
Wil ze verdoen en gans verbreken;
Verderf z' in ongenade, Heer!
Ende verdelg ze langs zo meer.
8
Doe dit Heer! dat men mag bemerken,
Den God Jakobs niet om versterken.
Die eeuwig heerset met bescheed
Over 't gehele aardrijk breed.
Zij zullen 's avonds wederkeren,
Huilen en razen met oneren,
Zij zullen als honden met haast,
De straten omlopen verbaasd.
9
Daarna zal hen de honger strange,
Omher der stad doen lopen bange;
Zij zullen moeten slapen gaan,
Zijnde met honger scherp bevaan.
Dan zal ik zingen en verkonden
Openlijk en tot allen stonden,
Uwe kracht en goedheid zo zaan,
Als de dag klaar zal vangen aan.
10
Want Gij zijt mijn toevlucht alleine,
En in nood mijn beschutting reine;
Daarom zal ik altijd, o Heer!
Met lofzang verbreiden Uw eer.
Want God is mijn sterkheid geprezen,
Die mij in mijn ellendig wezen,
Dat mij steeds is gekomen aan,
Genadelijk heeft bijgestaan.

Overige
Gereformeerd kerkboekKom, Heer, mij uit de hand bevrijden
Liedboek 1973Kom, Heer, mij uit de hand bevrijden
Marnix van St. AldegondeUerloss my van mijn vyant Heere,n, ende hem dooden.
Bladmuziek
Van deze psalm zijn er geen muziekbewerkingen.
Afbeelding
Video
Hieronder staan een aantal video's. Hier kunnen video's tussen staan die niets met deze psalm te maken hebben.

© juichtaarde.nl

Juicht de Here, gij ganse aarde,
dient de Here met vreugde
(o.a. Evangelische liedbundel 23)