Psalm 50

Terug naar psalm overzicht

Info
 

Melodie

midi bestand
1773

1
Der goden God verheft Zijn stem met macht,
En roept deez' aard', vanwaar de zon, met pracht,
In 't oosten rijst, tot waar z' in zee verdwijnt.
Uit Sion, zo volkomen schoon, verschijnt
God vol van glans, om op Zijn troon te stijgen;
Hij, onze God, Hij komt en zal niet zwijgen.
2
Verterend vuur gaat voor Zijn aanzicht heen;
Een felle storm verzelt alom Zijn treen.
Nu Hij Zijn volk zal richten voor elks oog,
Roept Hij tot aard' en hemel van omhoog:
"Verzamelt Mij Mijn dierbre gunstgenoten,
Die Mijn verbond op 't heilig offer sloten."
3
De heem'len zijn getuigen van Zijn recht,
Want God is Zelf de Rechter, die 't beslecht.
"Hoor gij' Mijn volk, hoor, Isrel, daar Ik tot
U spreek en roep; Ik, God, Ik ben uw God!
'k Bestraf u niet vanwege d' offeranden,
Daar die gestaag voor Mij op 't outer branden."
4
"'k Zal uit uw huis geen var, noch uit uw kooi
Voor 't brandaltaar begeren bok of ooi;
Want al 't gediert' der wouden is het Mijn'.
Wat beesten er op duizend bergen zijn,
Wat vogels ooit rondom hun toppen vlogen,
Het wild des velds, 't is al in Mijn vermogen."
5
"Nooit klaagd' Ik 't u, indien Ik honger had,
Want d' aard, is Mijn" en al wat zij bevat.
Zou stierenvlees, of wat ooit mensen voedt,
Mijn spijze zijn ? Mijn drank der bokken bloed?
Neen; offert God uw dankb're lofgezangen;
't Geen gij belooft, moet d' Allerhoogst' ontvangen."
6
"Roept in den nood tot Mij, uw God en HEER',
Dan help Ik u, en gij geeft Gode d' eer ".
Maar Zijne taal tot goddelozen luidt:
"Waarom toch spreekt gij Mijne wetten uit?
Wat roemt gij u als Mijn verbondelingen,
Daar g' u door woord noch straffen laat bedwingen?"
7
"Ziet gij een dief, gij loopt met hem en steelt;
Gij zijt het, die met overspelers deelt,
In 't vuil vermaak van hun ontuchtigheen!
Uw mond is vol van ongebonden reen,
Uw snode tong is afgericht op liegen,
En steeds gewend aan veinzen en bedriegen."
8
"Gij zit, gij spreekt van uwen broeder kwaad;
Uw moeders zoon vervolgt gij bits met smaad;
En lastert hem: dit doet gij vrij en blij.
Ik zwijg, dies meent ge, dat Ik ben als gij.
'k Zal over u een heilig vonnis vellen,
En uw gedrag u klaar voor ogen stellen."
9
"Verstaat dit toch, vergeters van Gods wet,
Opdat Ik niet verscheur' en niemand redd'.
Wie 't dankbaar hart Mij biedt ter offerand',
Die geeft Mij eer, en elk, die met verstand
Zijn wegen richt, mag op Mijn gunst vertrouwen.
Ik zal Gods heil hem eeuwig doen aanschouwen."

Datheen

1
God, Die der goden Heer is, spreken zal,
En samenroepen dat gans' aardse dal,
Van den opgang tot den nedergang breed.
Uit Sion komt God, Die daar is bekleed
Met heerlijkheid en schoonheid hoog geprezen;
Onze God komt, Die niet stille zal wezen.
2
Voor Hem gaat een fel verslindende vier,
Een groot onweder komt met Hem tot hier.
Hij zal hemel en aard' aanspreken wel,
En Zijn volk richten, zeggende zeer snel:
Verzaamt Mij Mijn heil'gen, die met vertrouwen
Offeren en Mijn verbond onderhouwen.
3
En gij, hemels, zult melden overbreid
Gods, des Rechters grote gerechtigheid,
Hoort mijn volk, Ik spreek u aan in 't gemeen,
Ik ben uw God, daar is ook anders geen;
Ik zal u niet straffen om uw off'randen,
Die ik hebbe geČist van uwe handen.
4
Van u iets te nemen heb Ik geen nood,
Ossen noch bokken, 't zij klein ofte groot;
Want al het vee der bossen dat is mijn,
Ook de dieren, die met duizenden zijn
Op de bergen; ja de vogelkens kleine
En 't gedierte des velds is Mijn alleine.
5
Al hongerde Mij, Ik en zei 't u niet;
Want 't aardrijk is Mijn, met al, dat men ziet.
Meent gij, dat Ik ossenvlees eten moet,
Of tot drank behoeve der bokken bloed?
Neen Ik; maar offert dankzegging met zingen,
En wilt uw beloften doen en volbringen.
6
Roept Mij aan, en Ik zal u in den nood
Helpen, en gij zult Mijn Naam maken groot.
Maar God spreekt de schalken aan zeer verstoord:
Waarom verkondigt gij alzo Mijn woord?
En neemt Mijn bond in uwen bozen monde,
Dewijl gij Mijn straffe haat in den gronde.
7
Nadat gij ook hebt Mijn gebod versmaad,
En als gij nog een dief ziet, met hem gaat;
Dien zijt gij gelijk, ja ook toegedaan.
Van echtbrekers wilt gij u niet ontslaan;
Den mond opent gij tot schenden en smaden,
Uw tonge kan niet dan liegen en schaden.
8
Gij zit en relt van uwen broeder kwaad,
En met achterklap gij hem zeer belaadt;
Dit doet gij, en omdat Ik zwijge stil,
Gij meent, dat Ik u gelijk wezen wil;
Maar ik zal u nog onder ogen stellen
Uw zond' en u daarom straffen en kwellen.
9
Och! wilt toch dit merken en wel verstaan,
Gij die God gans vergeet, hoort dit vermaan.
Opdat gij niet zonder hulp haast vergaat.
Die dankoffert, die eert Mij met der daad,
Spreekt God; en die dezen weg gaan en treden
Zullen Mijn heil overkomen in vrede.

Overige
Gereformeerd kerkboekDe HEER die leeft, de God der goden spreekt
Liedboek 1973De Heer die leeft, de God der goden spreekt
Marnix van St. AldegondeDer Goden God, de sterckste bouen al
Bladmuziek
Van deze psalm zijn er geen muziekbewerkingen.
Afbeelding
Video
Hieronder staan een aantal video's. Hier kunnen video's tussen staan die niets met deze psalm te maken hebben.

© juichtaarde.nl

Juich voor de Heer, heel de aarde wees blij.
Zing van de Koning en zijn heerschappij
tekst & muziek: Darlene Zschech (Opwekkingsbundel 461)