Psalm 46

Terug naar psalm overzicht

Info
 

Melodie

midi bestand
1773

1
God is een toevlucht voor de Zijnen,
Hun sterkt', als zij door droefheid kwijnen;
Zij werden steeds Zijn hulp gewaar,
In zielsbenauwdheid, in gevaar;
Dies zal geen vrees ons doen bezwijken,
Schoon d' aard' uit hare plaats mocht wijken,
Schoon 't hoogst gebergt', uit zijne stee,
Verzet wierd in het hart der zee.
2
Laat vrij het schuimend zeenat bruisen;
D' ontroerde waatren hevig ruisen;
De golven mogen, door haar woen,
Het berggevaarte daavren doen:
De stad, het heiligdom, de woning,
Van God, den allerhoogsten Koning,
Wordt in haar muren, t' allen tijd;
Door beekjes der rivier verblijd.
3
Geen onheil zal de stad verstoren,
Waar God Zijn woning heeft verkoren.
God zal haar redden uit de nood
Bij 't dagen van het morgenrood.
Men zag de heidnen kwaad beramen;
De koninkrijken spanden samen;
Maar God verhief Zijn stem, en d' aard',
Versmolt, voor 's Hoogsten toorn vervaard.
4
De HEER', de God der legerscharen,
Is met ons, hoedt ons in gevaren.
De HEER' de God van Jakobs zaad,
Is ons een burg, een toeverlaat.
Komt, wilt op 's HEEREN daden merken;
Aanschouwt des Hoogsten grote werken;
Zijn macht, die nooit te stuiten is,
Maakt d' aarde tot een wildernis.
5
God stilt, alom, het orelogen;
Zijn arm verbreekt de taaie bogen,
Doet spies en speer aan stukken slaan,
En wagens door het vuur vergaan.
"Laat af", dus spreekt de HEER' der heeren,
"Weet, Ik ben God; elk moet Mij eren;
Het heidendom, ja, 't gans heelal,
Verhoge Mij met lofgeschal."
6
De HEER', de God der legerscharen,
Is met ons, hoedt ons in gevaren;
De HEER', de God van Jakobs zaad,
Is ons een burg, een toeverlaat.

Datheen

1
Als ons de nood overvalt krachtig,
Ons burgt en heil is God almachtig;
Zulks bevinden wij in den nood,
En hebben in Hem troost zeer groot.
Dies vrezen wij in genen dinge,
Al waar 't dat de wereld verginge,
En de bergen hen wierpen snel
In 't midden der zee diep en fel.
2
Al waar 't dat 't water des meers diepe
Raasde t' zaam en ook overliepe;
Al waren teniet door zijn kracht
Bergen en steenrotsen gebracht;
Nochtans zullen de beken reine,
Ook menige klare fonteine,
De schone stad maken verblijd,
Daar God in woont tot allen tijd.
3
Midden in haar woont God geprezen,
En wil eeuwiglijk bij haar wezen.
Niets zal ze bewegen voortaan,
Want de Heer' wil z' altijd bijstaan.
Veel volks is ons geweest zeer tegen,
Koninkrijken hen ook bewegen;
Van haar gerucht, alzo dat scheen,
Verging d' aard' en hemel meteen.
4
In zulke stormen ende baren
Is met ons de Heer' der heirscharen;
God Jakobs is ons een burcht vast
Tegen geweld en overlast;
Komt toch al, wilt zien en bemerken
Onzes Gods grote wonderwerken;
Die Hij hier op der aarde doet,
Naar Zijne grote wijsheid goed.
5
Hij heeft over 't aardrijk in 't brede
Gestild de oorlogen zeer wrede.
Lansen, bogen heeft Hij in 't land
Vernield en de wagens verbrand,
Weest stil! (spreekt Hij) zijt toch gedachtig
Mijne grote sterkheid zeer machtig;
Ik ben de God zeer hoog geacht
Boven aller mensen geslacht.
6
Kortelijk, de God der heirscharen
Is met ons in stormen en baren;
God Jakobs is ons een burcht vast
Tegen geweld en overlast.

Overige
Gereformeerd kerkboekGod is een toevlucht en een sterkte
Liedboek 1973God is een toevlucht t' allen tijde
Marnix van St. AldegondeGodt is ons toevlucht end' borght vaste
Bladmuziek
Van deze psalm zijn er geen muziekbewerkingen.
Afbeelding
Video
Hieronder staan een aantal video's. Hier kunnen video's tussen staan die niets met deze psalm te maken hebben.

© juichtaarde.nl

Al wat ademt, looft de HERE!
psalm 150, berijming GKv