Psalm 44

Terug naar psalm overzicht

Info
 

Melodie

midi bestand

Extra info

Zie ook de samenvatting van het proefschrift van G. Kwakkel over de psalmen 7, 17, 18 , 26 en 44.
1773

1
O God, wij mochten met onz' oren,
Weleer van onze vaadren horen;
Wat werk Gij in hun dagen wrocht.
Hoe G' oudtijds hen met heil bezocht.
Gij hebt de heidnen met Uw hand
Verdreven, dat zij 't erf verlieten;
Hen fel geplaagd, Uw volk geplant,
En op het weeldrigst voort doen schieten.
2
Hun zwaard deed hen dit land niet erven;
Hun arm deed hen geen heil verwerven;
Maar Uwe rechterhand, Uw macht,
Heeft hun dien voorspoed toegebracht;
De glans van 't Goddlijk aangezicht
Heeft hen de zege weg doen dragen;
Want Gij omscheent hen met het licht
Van Uw genadig welbehagen.
3
Gij zelf, o God, die, uit Uw woning,
Ons hulp verleendet, zijt mijn Koning!
Verlos ons van 't gedreigde kwaad;
Gebied het heil voor Jakobs zaad.
Gij doet ons onze weerpartij
Met hoornen stoten in de lenden;
In Uwen Naam vertreden wij
Die tegen ons de wapens wenden.
4
Stap ik vol moeds ten oreloge,
'k Vertrouw niet op mijn stalen boge;
Ik weet, dat, in den heten strijd,
Mij zwaard noch dapperheid bevrijdt;
Maar Gij verlost den vegen staat,
Van 's vijands macht, waarvoor wij duchten.
Ook doet Uw hand al wie ons haat
Met schand' en schaamte henen vluchten.
5
't Is God, dien w' onzen Redder noemen,
In Wien w' ons al den dag beroemen.
Den lof Uws Naams, alom verbreid,
Verheffen wij in eeuwigheid.
Maar nu verstoot Gij ons, o HEER',
Wij zien ons hoofd met schand' bedekken.
Dewijl Gij met ons heir niet meer,
Ter hulp, als eertijds, uit wilt trekken.
6
Gij doet ons bevend rugwaarts wijken,
En steeds voor d' overmacht bezwijken
Van haatren, die ons goed en bloed
Vast roven in hun euvelmoed.
Gelijk de schapen, die men slacht,
Hebt G' ons aan hen tot spijs gegeven;
Ons onder 't heidendom gebracht,
Waar wij verstrooid, vol kommer, leven.
7
Het volk, dat Gij hebt uitverkoren,
Verkoopt G' aan die Uw erfdeel storen,
Voor geen waardij, hoe min men bied',
En hunnen prijs verhoogt Gij niet.
Gij stelt ons tot een bittren smaad
Voor schampre buren, die ons honen.
De spot en schimp straalt van 't gelaat
Der volken, die rondom ons wonen.
8
Gij doet ons tot een spreekwoord strekken
Den heidnen, waar G' ons heen doet trekken;
En 't volk, dat ons te snood berooft,
Schudt over ons, afkerig, 't hoofd.
Mijn schande stelt men vals in 't licht,
Z' is nimmer uit mijn oog geweken;
De schaamte dekt mijn aangezicht,
Zodat ik 't hoofd niet op durf steken.
9
De stem des honers moet ik horen,
Zijn lastertaal klinkt mij in d' oren;
De boze vijand koelt zijn moed,
En dorst wraakgierig naar ons bloed.
Wij hebben echter in die smart,
Schoon wij dit alles ondervonden,
U niet vergeten in ons hart,
Noch trouwloos Uw verbond geschonden.
10
Ons hart heeft zich van U, in noden,
Niet afgekeerd tot valse goden,
En onze gang week niet van 't pad,
Dat Gij ons voorgeschreven hadt;
Al hebt G' ons, in Uw toornegloed,
Verpletterd in een plaats der draken;
En ons verdrukt en bang gemoed
De doodsvalleien doen genaken.
11
Ja, hadden w', in dien druk gezeten,
Den Naam van onzen God vergeten,
De handen, in verlegenheid,
Tot vreemde goden uitgebreid.
Zou God, naar Zijn onkreukbaar recht
Die euveldaad niet onderzoeken?
Al wat in 't hart wordt overlegd,
Kent Hij, tot in de diepste hoeken.
12
Maar wij, om Uwentwil verdreven,
Verliezen, al den dag, het leven;
Wij worden slechts van hen geacht
Als schapen, voor het mes gebracht.
Waak op, o HEER', waarom toch zoudt
Gij slapen, en de smart vergroten?
Ontwaak, toon dat G' ons nog aanschouwt,
En ons niet eeuwig wilt verstoten.
13
Waarom, daar wij Uw bijstand vergen,
Zoudt Gij Uw aangezicht verbergen?
Waarom vergeten onz' ellend,
En onderdrukking zonder end?
Want onze ziel, die nauwlijks leeft,
Is treurig in het stof gebogen;
Daar onze buik aan d' aarde kleeft,
Bezwijken wij in onvermogen.
14
Sta op, o God, toon medelijden,
Laat ons Uw arm van nood bevrijden;
Verlos ons uit den angst, o HEER',
Zo krijgt Uw goedheid eeuwig d' eer!

Datheen

1
Heer, Uw wonderwerken verkoren
Hebben wij dikwijls met ons oren
Gehoord van ons voorvaders goed,
Die Gij voortijds deedt en nog doet.
De volkeren verdreef Uw hand,
Gij deedt ons vaders in 't land groeien;
De heid'nen dreeft Gij uit dat land,
En deed ons kind'ren daarin bloeien.
2
Onz' vaders hebben door 't zwaard krachtig
't Land niet ingenomen eendrachtig;
In den nood die hen is geschied,
Heeft hen hare arm verlost niet.
Maar hun is geweest enen schild
Uw rechterhand en Uw sterk' armen,
Ja Uw aanschijn; omdat Gij wilt
U Heer, over Uw volk ontfarmen.
3
Gij zijt, Heer, de Koning alleine,
Die heerst met macht groot in 't gemeine.
Maak dat Jakob Uw volk bemind,
Den gewoonlijken bijstand vindt.
Door Uw hulp zullen wij verslaan
Al onz' vijanden, die ons kwellen.
Door Uwen Naam worden verdaan
Al die hen, Heer, tegen ons stellen.
4
Op mijn boog wil ik niet vertrouwen,
Noch op mijn zwaard wil ik niet bouwen;
Want al die dingen meteen
En doen mij hulp noch bijstand geen,
Maar Gij alleen hebt ons bewaard
Tegen alle onze vijanden,
Ja Gij, Heer, met schande bezwaart
Al die tegen ons zijn gestanden.
5
God is alleen ons eer geprezen;
Dies moeten wij gedachtig wezen,
Hoe wij steeds zullen zij bekwaam
Om groot te maken Uwen naam.
Maar Gij, Heer, zeer ver van ons wijkt,
Gij laat ons gans worden tot schande;
Onze krijgslieden Gij bezwijkt,
Als zij in nood zijn der vijanden.
6
Gij doet, dat wij 't veld moeten laten
Voor de moorders; Heer, die ons haten
Omringen ons en ook ons goed,
Naar haren lust ende hoogmoed.
Gij maakt, dat ons de bozen wreed,
Als slachtschapen, aan alle zijden
Vereten, en verstrooien breed
Onder hen die ons zeer benijden.
7
Om niet verkoopt Gij Uw volk, Heere,
Als een ding, dat veracht is zere;
Zodat Gij (als men 't wel ziet aan)
Daarvan genen nut hebt ontvaan.
Gij maakt dat wij zijn vol van smaad
Bij alle onze nageburen.
Wij zijn in den schimp, spot en haat
Onzer bijwoners t' allen uren.
8
Wij zijn, o Heer, tot alle stonden
Der heidenen spreekwoord bevonden.
Ieder die ons ziet, ons veracht
En schudt dat hoofd, ja ons belacht.
Schaamt' ende smaad dagelijks gaan
Voor mij, die mijn ziele zeer tergen;
Met schand' en leed ben ik bevaan;
Zodat ik mijn aanzicht moet bergen.
9
Zeer veel smaadheid moeten wij horen.
Veel bitter verwijt komt ons voren,
Veel wraakgierigen zijn bijeen,
Die hen willen wreken gemeen.
Doch Gij zijt, Heer (alzo men ziet),
Van ons bij dezen niet vergeten;
Maar wij hebben ons al met vliet
Naar Uws verbonds inhoud gekweten.
10
Op niemand dan op U alleine,
Heeft, Heer, gestaan onz' hope reine.
Uit Uw voorschreven wegen goed
Is niet geweken onze voet;
Al hebt Gij ons met draken wreed
Gestraft, ja ook gans overvallen,
En ons in den kuil diep en breed
Des doods geworpen, Heer, met allen.
11
Hadden wij niet geweest gedachtig
Onz' Heeren ende Gods almachtig,
Of onz' handen tegen 't gebod
Uitgestrekt, dan alleen tot God;
De Heer, zou zulks straffen voorwaar,
Hij, Die kan zien ende doorgronden
's Mensen hart, en Wien openbaar
Alle dingen zijn t' alle stonden.
12
Om Uwentwil zijn wij geslachtet,
Ommegebracht, en ook geachtet
Als schapen, die daar zijn bereid,
Om op de bank te zijn geleid.
Waarom slaapt Gij, Heer, in den nood?
Ontwaak, zie ons, die boven maten
Benauwd zijn, en toon Uw kracht groot,
En wil ons nu toch niet verlaten.
13
Waarom is 't dat Gij U verberget,
Als men ons overlasting verget?
Waarom hebt Gij meed'lijden geen,
Als men ons benauwt in 't gemeen?
Uw strafheid, die over ons gaat,
Maakt ons vol schande en onwaarde;
Mitsdat Gij ons zo nederslaat,
Onze buik kleeft gaar aan de aarde.
14
Maak U op en sla ons toch gade,
Help ons naar Uw grote genade,
En ons door Uwe goedigheid
Verlos van deze tegenheid.

Overige
Gereformeerd kerkboekWij hoorden, Heer, met eigen oren
Liedboek 1973Heer, wat de vaderen vertelden
Marnix van St. AldegondeMen heeft ons Heer met onsen ooren
Bladmuziek

categorie:
arrangeur:

Vocale tegenstem
E. Egberts
partituur  midi
voor bes-instrument  

Afbeelding
Video
Hieronder staan een aantal video's. Hier kunnen video's tussen staan die niets met deze psalm te maken hebben.

© juichtaarde.nl

Juich voor de Heer, heel de aarde wees blij.
Zing van de Koning en zijn heerschappij
tekst & muziek: Darlene Zschech (Opwekkingsbundel 461)