Psalm 38

Terug naar psalm overzicht

Info
 

Melodie

midi bestand
1773

1
Groot en eeuwig Opperwezen,
Zeer te vrezen,
Staf mij in Uw gramschap niet;
Toon mij toch, dat Uw kastijden,
In mijn lijden,
Uit geen grimmigheid geschiedt.
2
Want Uw pijlen doen mij dragen
Bittre plagen;
Zij doorgrieven vlees en been;
'k Voel Uw hand in d' ongelukken,
Die mij drukken,
Neergedaald op al mijn leen.
3
Door Uw gramschap, fel ontstoken,
Is verbroken
Al mijn vlees en lichaamskracht.
Rust, noch vrede wordt gevonden,
Om mijn zonden,
In mijn beendren, dag of nacht.
4
Want mijn hoofd is als bedolven
In de golven
Van mijn ongerechtigheen;
Zulk een last van zond' en plagen,
Niet te dragen,
Drukt mijn schouders naar beneen.
5
'k Voel door stinkend' etterzweren
Mij verteren,
Walglijk zijn zij voor het oog;
Mijne dwaasheid deed die builen
Dus vervuilen,
Daar ze mij tot kwaad bewoog.
6
'k Ben, door Uwe wet te schenden,
Krom van lenden,
Vol van druk, benauwd van hart.
Zeer gebogen en verslagen,
Moe van klagen,
Ga ik al den dag in 't zwart.
7
Mijn ontstoken ingewanden
Doen mij branden,
En voor elk verachtlijk zijn;
'k Voel mij van de smart doorsneden;
In mijn leden
ls niets heel, of vrij van pijn.
8
Uitgeteerd door al mijn klachten
Zijn mijn krachten,
Zeer verbrijzeld en vergaan;
'k Brul van bittre zielesmarte,
Want mijn harte
Is verzwakt, door al Uw slaan.
9
Maar wat klaag ik, HEER' der heren?
Mijn begeren
Is voor U, in al mijn leed,
Met mijn zuchten en mijn zorgen,
Niet verborgen;
Daar Gij alles ziet en weet.
10
't Hart schokt in mij heen en weder,
Op en neder;
't Lichaam valt mij krachtloos neer;
D' ogen, bijna blind gekreten,
Uitgebeten,
Zien het daglicht nauwlijks meer.
11
Die voorheen mij teer beminden,
En mijn vrinden
Wijken, angstig voor mijn plaag;
Nabestaanden gaan ter zijden,
Wegens 't lijden,
En d' ellenden, die ik draag.
12
Zij, die mijnen dood bejagen,
Leggen lagen,
Dreigen mij den laatsten slag,
Spreken, hoe mij 't best te krenken;
En bedenken
Mijn verderf, den gansen dag.
13
Maar ik ben, in d' ongelukken,
Die mij drukken,
Als een dove, die niet hoort,
En uit wiens verstomde lippen
Niet kan glippen
't Flauwst geluid van enig woord.
14
Ja, ik ben als een, wiens oren
Niet meer horen,
Wat men zegge, kwaad of goed;
Wien de tegenreen ontbreken,
Om te spreken,
En die daarom zwijgen moet.
15
Want, o trouw en eeuwig Wezen,
In mijn vrezen
Staat mijn hoop op U alleen;
Gij, mijn God, zult in ellenden
Bijstand zenden,
En verhoren mijn gebeen.
16
'k Zei: "Laat nooit mijn bitter lijden
Hen verblijden
In hun trotsen euvelmoed;
Wijl die bozen juichen zouden,
Als z' aanschouwden
't Wanklen van mijn zwakken voet."
17
Want, o HEER', ik ben aan 't zinken
En tot hinken
Ieder ogenblik gereed.
'k Heb mijn smart en onvermogen
Steeds voor ogen,
Bij 't vooruitzicht van mijn leed.
18
'k Wil mijn misdaan, die U tergen,
Niet verbergen;
Ik bedek voor U die niet;
'k Ben vanwege al mijn zonden,
Die mij wonden,
Vol van kommer en verdriet.
19
Maar mijn vijand zie ik leven,
Hoog verheven,
Machtig, vrij van smart en nood.
Die, om valse reen verbolgen,
Mij vervolgen,
Nemen toe en worden groot.
20
Zij, die kwaad voor goed vergelden,
Lastren, schelden,
En vervolgen mij gestaag.
Ja, zij zijn op mij gebeten,
Want zij weten,
Dat ik naar het goede jaag.
21
Zie mij, HEER', wien elk moet duchten,
Tot U vluchten.
O mijn God, verlaat mij niet;
Blijf niet, wegens mijn gebreken,
Ver geweken;
Toon, dat Gij mijn rampen ziet.
22
HEER', ik voel mijn krachten wijken,
En bezwijken,
Haast U tot mijn hulp, en red,
Red mij, Schutsheer, God der goden,
Troost in noden,
Grote Hoorder van 't gebed.

Datheen

1
Wil in Uwen toorn gestadig,
Heer genadig,
Mij toch straffen niet zo zeer;
De hitt' Uwes toorns wil keren
Van mij, Heere,
Die nu gaar zwak ben en teer.
2
Want Uw pijlen hard gedreven,
In mij kleven,
Zeer stijf en diepe voorwaar;
Gij wilt, dat ik ook zal lijden,
Dat kastijden
Uwer hand, die mij drukt zwaar.
3
Mijn lijf is vol ongezonden
Nu bevonden,
Door Uwen toorne zeer groot;
Geen rust en hebben mijn benen
Al met enen,
Vanwege mijn zonden bloot.
4
Want de straffe mijner zonden,
Niet om gronden.
Zeer zwaar over mijn hoofd gaat;
Als een last zeer zwaar om dragen,
T' allen dagen
Wordt zij meerder met de daad.
5
Mijn wonden mij zeer vermoeien.
Die daar vloeien
Vol van etter, stank en bloed;
Door mijn dwaasheid, niet om sommen,
Is mij kommen
Dit verderf en tegenspoed.
6
Mijn lijden mij zo hard drukket,
Dat gebukket
Ik nu ben, ja ook gans krom;
Ik moet treurig en verslagen
In mijn klagen
Den gehele dag gaan om.
7
Want verdorret t' allen steden
Zijn mijn leden,
Door 't kruis dat mij 't hart doorsnijdt;
In mij is niet gezonds bleven;
Want mijn leven
Is vol lijdens t' aller tijd.
8
Ik, die wakker placht te wezen,
Ben mits dezen
Gaar gebroken, mat en krank;
Zodat ik, door 't kruis mijn harten,
Vol van smarten,
Schreie ganse dagen lank.
9
Mijn begeerten, Heere krachtig
En almachtig,
Zijn voor U gans openbaar;
Al mijn zuchten en gedachten
En mijn klachten,
Zijn voor U bloot ende klaar.
10
Mijn harte beeft met versagen;
Zeer verslagen
Zijn mijn krachten in 't gemein;
En mij is (dies ik moet schromen)
Gans ontnomen
't Gezicht mijner ogen rein.
11
Mijn vrienden die gaan ter zijden,
En mijn lijden
Zien zij onbarmhartig aan;
Ende die mij zijn de naaste
Met der haaste,
Wijd van mij treden en gaan.
12
Zij, die mijn ziel netten stellen
En mij kwellen
Met hen, die mij gunnen kwaad,
Denken om mij te beschamen
En al t' zamen
Houden tegen mij den raad.
13
En ik, als die niet kan horen,
Sta daar voren,
Daar ze tegen mij raadslaan;
Ik ben gaar stom tot deez' stonde,
Uit den monde
En laat ik geen woord ontgaan.
14
Ik ben geworden als ene,
Die gans gene
Sprake noch geen gehoor heeft;
Als een die, zijnde versteken,
Niet kan spreken
En geen verantwoording geeft.
15
Maar ik wil, Heer, op U bouwen
Mijn vertrouwen,
En wachten Uwen bijstand;
Gij zult ook, mijn God verkoren,
Mij verhoren,
En mij bieden Uwe hand.
16
Ik bid U, laat niet verblijden
In mijn lijden
Hen, die mij haten zeer wreed;
Want, als mijne voeten glijden
Wat bezijden
Zij verheugen in mijn leed.
17
Wil helpen, o Heere krachtig
Mij, die klachtig
Ben en tot lijden gemaakt;
Gestadiglijk is mijn harte
Vol van smarte,
Daarmee Gij mij hebt geraakt.
18
Met schaamte ik mij zeer kwelle
En vertelle
Mijne zeer grote misdaad;
Ik en doe niet dan beklagen
All' mijn dagen
All' mijn zware zonden kwaad.
19
Mijn vijanden zijn bij dezen
Hoog geprezen,
En leven in eer en pracht;
Die mij haten en aanvechten,
Gans t' onrechten,
Wassen in getal en kracht.
20
Zij al tegen mij hen stelden,
En vergelden
Met kwaad doen alle mijn deugd;
Daarom is 't, dat ze mij smaden
En beladen
Omdat ik recht doe met vreugd.
21
Wil mij, Heer! in zulker maten
Niet verlaten
Die van ieg'lijk ben veracht;
Dat van mij Uw goedheid rijke
Niet en wijke,
Want mijn hart, Heer, U verwacht.
22
Kom, Heer! wil U bij mij maken
In mijn zaken,
Tot mijn hulp U goed'lijk wendt.
Haast U tot mijnen bijstande,
Goederhande,
Gij, Die mijn heil zijt bekend.

Overige
Gereformeerd kerkboekBlijf mij niet in toorn kastijden
Liedboek 1973Laat toch niet uw toorn, o Here, mij verteren
Marnix van St. AldegondeStraff' doch niet in onghenaden
Bladmuziek
Van deze psalm zijn er geen muziekbewerkingen.
Afbeelding
Video
Hieronder staan een aantal video's. Hier kunnen video's tussen staan die niets met deze psalm te maken hebben.

© juichtaarde.nl

Dan groeit in mij steeds sterker dit verlangen:
Laat heel de wereld zien, hoe echt uw liefde is
tekst & muziek: Paul Oakley (o.a. Opwekkingsbundel 494)