Psalm 37

Terug naar psalm overzicht

Info
 

Melodie

midi bestand
1773

1
Wees over 't heil der bozen niet ontstoken;
Benijd hen niet. Wat onrecht, wat geweld
De trouw verdrukk', zij blijft niet ongewroken.
De trotse ziet zijn weeld' een perk gesteld;
Valt af, als 't kruid, ter nauwernood ontloken;
Verdort, als 't gras, door 's maaiers zeis geveld.
2
Stel op den HEER' in alles uw betrouwen;
Betracht uw plicht, bewoon het aardrijk; leer
Uw welvaart op Gods trouw volstandig bouwen.
Verlustig u met blijdschap in den HEER',
Dan zal Hij u in liefd' en gunst aanschouwen,
U schenken, wat uw hart van Hem begeer'.
3
Geen ijdle zorg doe u van 't heilspoor dwalen;
Houd in uw weg het oog op God gericht,
Vertrouw op Hem, en d' uitkomst zal niet falen:
Hij zal welhaast uw recht, voor elks gezicht,
Doen dagen als de morgenzonnestralen,
En blinken als het helder middaglicht.
4
Zwijg Gode, wacht op 't eind van 's HEEREN wegen,
Wanneer gij hier der snoden voorspoed ziet;
En, hebben zij door list hun wens verkregen,
't Ontsteek' uw drift, noch baar' u zielsverdriet;
Misgun hun dan geen ingebeelden zegen,
Laat af van toorn, en zoek de wrake niet.
5
God roeit hen uit, die 's vromen rust verstoren;
Maar die den HEER' verwachten met geduld,
Zien 't aardrijk zich ten erfbezit beschoren,
Verbeid den stond, die beider lot vervult,
En tracht dan 't zaad der bozen op te sporen,
Waarvan gij plaats noch voetstap vinden zult.
6
't Zachtmoedig volk zal eens den vollen vrede
Genieten, in de zoetste rust verblijd,
En erven d' aard'. Hoe ook de booz' en wrede
Op d' onschuld loer', de tanden kners' van spijt,
Hoe listig hij op haar zijn aanslag smede,
De HEER' belacht het wrokken van dien nijd.
7
Hij ziet zijn dag, den dag zijns oordeels, komen.
Men trekt het zwaard, men spant den boog en mikt
Op 't zuchtend hart der onderdrukte vromen;
Daar 's bozen raad hen wreed ter slachting schikt,
In 't stout bestaan, in 't woeden niet te tomen,
Voor dat hem God verbijstert en verschrikt.
8
Gods wraak ontwaakt en trekt de trotsen tegen,
Hun eigen zwaard vergiet hun ziedend bloed;
Dan breekt hun boog, dan vallen z' op hun wegen,
Dan blijkt op 't klaarst', dat hier het weinig goed
Van 's HEEREN volk, rechtvaardiglijk verkregen,
Veel beter is, dan 's bozen overvloed.
9
Gods macht verbreekt den arm der goddelozen,
Terwijl Zijn hand rechtvaardigen geleidt.
Al treden z' op geen weg, bezaaid met rozen,
Zij wachten 't heil, door God hun toegezeid.
Hij kent hun tijd; zij zien, in spijt der bozen,
Hun erfenis bewaard in eeuwigheid.
10
Geen druk beschaamt hun hoop in bange tijden,
Geen hongersnood doet hen verlegen staan;
Gods goedheid zal hen voeden en verblijden;
Maar 's HEEREN toorn de bozen nederslaan.
Als 't mestlam, dat men zag ten offer wijden,
Zal met den rook, het heilloos rot vergaan.
11
De boze neemt, door hebzucht aangedreven,
Met list ter leen, en legt de schuld niet af.
D' oprechte, vol ontferming, mild in 't geven,
Bezit deez' aard', als 't erf, dat God hem gaf.
Deez' smaakt in rust den zegen en het leven;
De vloek vervolgt den andren tot in 't graf.
12
't Alwijs bestuur bevestigt 's vromen gangen:
De hoge God keurt zijne wegen goed;
Hij zorgt voor hem, en waakt voor zijn belangen,
Hij wordt geenszins, om 't glibbren van zijn voet,
Of om zijn val, verworpen, maar vervangen,
En ondersteund door God, die hem behoedt.
13
'k Ben jong geweest, en draag nu grijze haren,
Maar zag nog nooit rechtvaardigen door nood
Zo zwaar gedrukt, alsof hen God liet varen,
Noch ook hun zaad, al bedelde 't om brood.
Hun mildheid schijnt te groeien met hun jaren;
De zegen vloeit hun nakroost in den schoot.
14
Wijk af van 't kwaad, en sta, met al uw krachten,
Het goede voor, in weldoen onvermoeid,
Woon eeuwig hier in late nageslachten;
Want God, die 't recht, waardoor Zijn heilrijk bloeit,
Op 't hoogst bemint, bewaart hen, die 't betrachten,
Maar 't goddloos zaad wordt door Hem uitgeroeid.
15
Het aardrijk zij rechtvaardigen en vromen
In erfbezit ter woon, eeuw in, eeuw uit.
D' oprechte doet een vloed van wijsheid stromen,
Daar hij den mond tot 's Hoogsten lof ontsluit.
Wat mensenvrees zou ooit zijn tong betomen?
Zij spreekt naar 't hart, waar enkel recht uit spruit.
16
De wet zijns Gods is in zijn hart geschreven,
Waardoor zijn gang van glibbren wordt bevrijd.
De booswicht loert, door haat en spijt gedreven;
Spant strik op strik, of wapent zich ten strijd,
En staat, ontzind, rechtvaardigen naar 't leven,
Naardien hij, trots, hun 's HEEREN gunst benijdt.
17
God laat hen nooit in 's haters wreed vermogen;
Wie hen verdoem', de HEER' verdoemt hen niet.
Wacht op den HEER', en houdt Zijn weg voor ogen;
Hij zal gewis, in 't wettig erfgebied
Van 't aardrijk u op 't zegenrijkst verhogen,
Terwijl gij 't eind der goddelozen ziet.
18
Ik heb het lot eens dwinglands waargenomen:
Hij breidde zich verbazend uit in 't rond,
Gelijk een boom, die, tot zijn kracht gekomen,
Op 't weligst groeit, geplant in eigen grond.
Maar 'k zocht welhaast vergeefs die plaag der vromen:
Hij was niet meer, hoe vast hij eertijds stond.
19
Let toch, en zie op vromen en oprechten;
Want, wat men denk' van d' uitkomst hunner paan,
God kroont met vree het einde Zijner knechten.
Maar, durft men stout des HEEREN wet versmaan,
Dan zal Gods wraak den berg van hoogmoed slechten,
En 't boos geslacht, ten grond' toe, doen vergaan.
20
Het heillot, dat rechtvaardigen verkregen,
Vloeit af van God, hun sterkt', als d' angst hen knelt.
Hij laat, in tijd van nood, hen niet verlegen;
Des HEEREN hulp bevrijdt hen voor 't geweld
Van 't goddloos rot: Hij komt hem gunstig tegen,
Die op Zijn macht een vast vertrouwen stelt.

Datheen

1
Kwelt u daarmee niet, zo gij in dit leven
't Geluk der godlozen moet schouwen aan;
Den korten voorspoed die hun God wil geven,
Misgunt hun niet, want zij zeer haast vergaan;
Zij moeten als dat hooi op 't veld verdwijnen,
En ook gelijk dat gras verdorren zaan.
2
Vertrouwt God, laat uw goede werken schijnen;
Gij zult dat aardrijk bezitten hiernaar,
En gebruiken met vreugde vrij van pijnen,
In God zal uw blijdschap wezen eerbaar;
Hij zal u al uwes harten begeren
Laten volgen, naar Zijn belofte klaar.
3
Werpt de zorg op God, wilt die van u weren;
Betrouwt op Hem, ende Hij zal zeer snel
Uitrichten uw zaken en u generen.
Uw vromigheid zal Hij kond maken wel,
En openbaren uwe deugd geprezen,
Gelijk de middag, die klaar is en hel.
4
Laat God doen, wacht op Hem, wilt stille wezen,
Zijt onbezwaard, vergramt u noch zorgt niet.
Als de schalken door spoed zijn hoog gerezen;
Doet u zulks wee, laat varen zulk verdriet.
Verbindt u niet tot boosdoen, wat zij kallen;
Dat gij haren wil niet doet, wel toeziet.
5
Want een tempeest zal snel over hen vallen;
Maar die vastelijk verwachten den Heer,
Die zullen erven 't aardrijk met hen allen;
De bozen zullen vergaan met oneer;
Zodat als haar stad gezocht werd na dezen,
Daarvan en zal gevonden zijn niet meer.
6
De vromen zullen een land uitgelezen
Erven, en niemand benauwen aldaar;
Zij werden verheugd, verkwikt, ja genezen.
De bozen zoeken (het is openbaar)
Den vrome met angst en nood te beladen,
En bijten de tanden t' zamen eenpaar.
7
Middelertijd zo bespot God de kwaden;
Want Hij zeer klaarlijk ziet ende verstaat,
Dat de stond' komt zijns vals en zijner schaden,
Zij trekken haar zwaarden zeer obstinaat,
En spannen haar bogen zonder versagen,
Om den vromen te schieten, daar hij gaat.
8
Maar haar eigen zwaard zal hen zwaarlijk plagen,
Want haar hart zal daarmede zijn doorwond;
Haar bogen worden tot stukken geslagen.
Dat klein goed des vromen is t' aller stond'
Duizendmaal beter, dan 't goed overvloedig
Des bozen is, die groots is in den grond.
9
De sterkte des bozen mensen hoogmoedig
Wordt gebroken: maar God door Zijne kracht
Zal zijn der vromen onderhouding goedig.
De Heere neemt altijd vaderlijk acht
Op der vromen leven, die Hem behagen;
Haar erfgoed blijft eeuwig dag ende nacht.
10
Zij werden niet beschaamd tot genen dagen
In duren tijd; maar zij werden gevoed
Met brood, als de ander van honger klagen;
Maar de bozen vergaan gans in kleinmoed,
Die God niet lieven verdwijnen en falen
Gelijk de rook en als de hagel doet.
11
Haar hand ontleent stedes zonder betalen;
Maar de vromen hebben genoeg altijd,
Om in liefde den naasten te onthalen.
God maakt Zijn gezegenden zeer verblijd,
Hij zal hun een vruchtbaar aardrijk bereiden;
Maar de vervloekten Hij ten gronde smijt.
12
De vromen zal Hij in Zijnen weg leiden,
En in Zijnen pad, die eng is en smal,
Zal Hij hem Zijn gunst rijkelijk uitbreiden;
Doch zo hij onvoorziens komt tot den val,
Hij zal dan niet in stukken zijn geslagen;
Want Gods hand hem wel onderhouden zal.
13
Ik was eens een jong en ben nu oud van dagen,
Doch ik zag den vromen verlaten nooit,
Noch zijn kind'ren bedelen ofte klagen;
Maar hij deeld' uit den armen zeer berooid.
Ende leende; dies zal zijn zaad verkoren
Gezegend zijn, waar dat het zij verstrooid.
14
Vliedt dan het kwaad, 't goede hebt altijd voren;
Zo zult gij blijven in der eeuwigheid,
Door Gods goedheid; Hij laat toch niet verloren
De goeden, want Hij lieft de vromigheid;
Hij bewaart die, zij zullen ook steeds blijven;
Hij verderft die doen ongerechtigheid.
15
De vromen zullen grote vreugd bedrijven.
En bezitten d' aarde met hare vrucht;
Zij zullen met haar woning vast beklijven;
Des vromen mond leert niet dan eer en tucht;
Zijn tonge zal niet dan wijsheid verkonden,
En dat goed is en van een goed gerucht.
16
Want Gods wet is in zijn harte bevonden,
Daarom zal niet struikelen zijnen voet,
Waar dat hij ook gaat tot enigen stonden.
't Is wel waar, dat de boze met hoogmoed
Den vromen bespiedt en zoekt te doen sterven;
Hij loert op hem gelijk een wolf verwoed.
17
Maar God zal hem zulks niet laten verwerven,
Dat hij den vrome benauwe met kracht;
Noch dat hij hem met schijn des rechts verderve;
Dies wacht op God en wandelt, met aandacht
In Zijn wet; Hij zal u in 't goed' land stellen;
Gij zult zien vergaan de boze vol pracht.
18
Ik zag dat de boze met zijn gezellen
Zeer was gevreesd; ik zag hem hoog op gaan
Als een laurier vol takken niet om tellen;
Maar komende, daar ik hem voor zag staan;
Zo en was hij daar gans niet meer te vinden,
Maar hij en zijn plaats waren gans vergaan.
19
Wacht u voor schade, wilt u onderwinden
Wel te doen; want die hebben tot loon rein
Rust en stilheid, als des Heeren beminden.
Maar de boosdaders zullen groot en klein
Vergaan; dat zal haar betalinge wezen,
Met hare nakomers alle gemein.
20
Onze God is de zaligheid geprezen
Der vromen; Die ook altijd wezen zal
Haar sterkt', als 't kruis zal groot zijn opgerezen.
Hij zal hen verlossen in zulken val.
Verlossende zal Hij die ook genezen;
Want op Hem hebben zij betrouwet al.

Overige
Gereformeerd kerkboekWees niet jaloers op hen die onrecht plegen
Liedboek 1973Wees niet afgunstig op de goddeloze
Marnix van St. AldegondeEn stoor dy doch om geen god'loose menschen,
Bladmuziek
Van deze psalm zijn er geen muziekbewerkingen.
Afbeelding
Video
Hieronder staan een aantal video's. Hier kunnen video's tussen staan die niets met deze psalm te maken hebben.

© juichtaarde.nl

Jezus Christus, Heer der heren, heel de aard' zal U vereren;
U, de Koning van 't heelal, die was en is en komen zal
tekst & muziek: Henk J. Hazeleger (Opwekkingsbundel 435)