Psalm 18

Terug naar psalm overzicht

Info
 

Melodie

midi bestand

Extra info

Zie ook de samenvatting van het proefschrift van G. Kwakkel over de psalmen 7, 17, 18 , 26 en 44.
1773

1
Voorzang:
Nu zal mijn ziel, nu zullen al mijn zinnen,
O God, mijn sterkt', U hartelijk beminnen.
Mijn steenrots, burg en helper is de HEER'.
Mijn God, mijn rots, mijn zaligheid, mijn eer.

'k Betrouw op God, Hij is mijn schild in 't strijden,
De hoorn mijns heils, mijn hoog vertrek in lijden,
'k Aanriep den HEER', Wiens lof mijn harp vermeldt,
En werd verlost van 's vijands boos geweld,
De dood bracht mij, geboeid, in nare streken,
Bij Belials verschrikkelijke beken.
Een helse band was om mijn heup gehecht,
En door den dood mij strik op strik gelegd.
2
'k Riep tot den HEER', in 't midden dier ellenden,
Tot mijnen God, opdat Hij hulp zou zenden.
Mijn klaagstem drong tot in Zijn troonzaal door,
Aan mijn geroep gaf Hij in gunst gehoor.
Toen beefde d' aard', al golvend als de baren;
Het hoogst gebergt' werd op zijn grondpilaren;
Beroerd, geschokt, gerukt uit zijn gewricht,
Door 't vreeslijk vuur van Gods ontvlamd gezicht.
3
Een dikke rook ging op, waar Hij Zich keerde,
Uit Zijnen neus; het vuur Zijns monds verteerde;
Stak kolen aan, en wat Hem tegenstond.
Hij boog het zwerk, en daalde neer; de grond
Waarop Hij trad, was, in het oog der volken,
Gans zwart door dicht opeengepakte wolken.
Zijn wagen was een Cherub, ja gezwind
Voer Hij en vloog op vleuglen van den wind.
4
In Zijne tent, rondom Hem zo vol luister,
Hield Hij Zich schuil, verborg Zich in het duister;
Door wolk op wolk, met kracht te zaam geprest,
En opgehoopt in 't bruine luchtgewest.
Zijn gloed ontbond der wolken vaste banden,
Toen daalde vuur en hagel op de landen.
De donder klonk door gans den hemel heen:
God gaf Zijn stem, en 't vuur viel naar beneen.
5
Hij deed vol kracht hen voor Zijn pijlen zwichten,
Verschrikte hen door bliksemschicht op schichten,
De diepste kolk droogd' op een ogenblik,
en 't hart der aard' ontblootte zich van schrik,
Wanneer Gij scholdt, Uw adem, fel ontstoken,
Deed dus, o HEER', en land en water roken.
Hij zond mij hulp, Hij nam mij, op mijn bee,
En trok mij uit een grote jammerzee.
6
Ik werd verlost van 's vijands legerscharen,
En 's haters hand, wijl zij te machtig waren.
Men viel mij aan ten dage van mijn smart,
Maar toen was God het steunsel van mijn hart.
Hij trok mij uit, en bracht m' in ruimer wegen.
Want Hij had lust aan mij, Zijn knecht, gekregen.
De HEER' vergold mijn onschuld naar het recht,
En schonk mij 't loon, den reinen toegezegd.
7
Want 's HEEREN weg heb ik getrouw bewandeld,
En niet goddloos met mijnen God gehandeld.
Ik hield gestaag Zijn rechten in het oog,
Terwijl Zijn wet mijn ziel tot deugd bewoog.
Ik werd oprecht en vroom bij Hem bevonden,
Ik wachtte mij zorgvuldig van mijn zonden.
Dies liet mij God ook naar mijn recht geschien,
En heeft in gunst mijn onschuld aangezien.
8
Hun zijt Gij goed, die goedertieren handlen;
Oprecht bij hen, die in oprechtheid wandlen.
Gij houdt U rein bij hen, die rein zijn, maar
Verkeerden toont Gij U een worstelaar.
Want Gij verlost het volk, door druk gebogen,
Maar werpt ter neer, die groot zijn in hun ogen.
Door U, o HEER', geeft mijne lamp haar licht.
Mijn God verdrijft den nacht uit mijn gezicht.
9
Ik kan met U door sterke benden dringen;
Met mijnen God zelfs over muren springen.
Des HEEREN weg is gans volmaakt en recht,
Doorlouterd, rein en trouw al wat Hij zegt.
Hij is een schild en schutsheer voor den vrome,
Voor wie tot Hem de toevlucht heeft genomen,
Wie is een God, als Hij, in tegenheen?
Wie is een rots, dan onze God alleen?
10
't Is God, die mij met sterkte wil omgorden;
Hij doet mijn weg volkomen effen worden.
Maakt, dat mijn voet als die der hinden snelt,
Terwijl Hij mij op mijne hoogten stelt,
Hij leert mijn hand heldhaftig orelogen.
Mijn strijdbaar' arm verbreekt zelfs stalen bogen,
Mij gaaft G' Uw schild, Uw hand heeft mij gesterkt.
Uw goedheid heeft mijn grootheid uitgewerkt.
11
Mijn voet hebt Gij doen in de ruimte treden;
Mijn gang werd vast, ik ben niet uitgegleden.
De vijand week; ik volgd', en trof hem aan,
En keerde niet, tot ik hem had verdaan.
Mijn spies doorstak al wie mij tegenstonden,
Zodat zij zich niet meer herstellen konden.
Dus zag ik door Uw bijstand hen verplet,
En mijnen voet hun op den nek gezet.
12
Gij hebt mij, HEER', met kracht omgord tot strijden.
Mijn vijand moest, vernederd, straffen lijden.
Hij vlood vol schrik, wijl hij geen kracht behield;
Mijn hater werd door mijne hand vernield.
Zij riepen wel, maar zonder hulp te krijgen.
Zelfs tot den HEER', maar Hij vond goed te zwijgen,
Toen heb ik hen als stof vergruisd, verjaagd,
En als het slijk der straten weggevaagd.
13
Gij hebt mij uit den twist des volks verheven,
En tot een hoofd den heidenen gegeven.
Ik stelde 't volk, mij onbekend, de wet;
Zo ras ik sprak, werd op mijn wil gelet.
De vreemde zelfs zag mij vol schrik naar d' ogen,
Lag voor mijn troon geveinsdlijk neergehogen.
Zij vielen neer, zij sidderden van schrik,
In burg en slot, op ieder ogenblik.
14
Zo leeft de HEER', mijn rotssteen zij geprezen;
De God mijns heils moet steeds verheerlijkt wezen;
Die God, die mij volkomen wraak verschaft,
En volk op volk mij onderwerpt en straft,
Die mij verlost uit mijns vervolgers handen;
Die mij verhoogt, mijn vijand slaat in banden.
Ja, Gij verhoogt mij boven al 't geweld,
Daar G' op den troon van roem en eer mij stelt.
15
Daarom, o HEER', zal ik U eer bewijzen,
Bij 't heidendom Uw Naam eerbiedig prijzen,
Met psalmgezang, daar 't hart door wordt geraakt,
Hij heeft het heil Zijns Konings groot gemaakt;
Hij wil Zijn gunst aan Zijn Gezalfde schenken;
Aan David en zijn nakroost eeuwig denken.

Datheen

1
Mijn hope staat alleen op God geprezen,
Hij wil mijn wapen en mijn toevlucht wezen.
Als ik Hem grootmaak en bid naar Zijn woord,
Mijn vijanden Hij haastelijk verstoort.
's Doods nood omving mij deez' voorleden dagen,
Stromen der bozen maakten 't hart verslagen;
De angst des grafs hadde mij gans bevaÉn,
Met de strikken des doods was ik belaÉn.
2
Zo benauwd zijnde, heb ik God gebeden,
En Hem aangeroepen van hier beneden,
Mijn geschrei tot Hem in den hemel kwam,
En mijn stem tot Zijnen oren opklam.
Van stonden aan beefde dat gans aardrijke,
De bergen werden beweegd desgelijke,
Verschrikt waren zij bovenmate zeer,
Want met ernst groot vertoornde Hem de Heer.
3
Uit Zijn neusgaten ging damp tot dier stonde,
En een schrikkelijk vuur uit Zijnen monde,
Hij was ontsteken met toorne zo groot,
Dat Hij alzins hete kolen uitgoot,
Hij boog de lucht en daalde tot de volken,
Onder Zijn voeten waren duist're wolken;
Hij zat op den wind die hem krachtig roert,
En Hij werd op Zijn vleugelen gevoerd.
4
Duist're wolken Hem ganselijk bedekten,
En als een tente rondom Hem zij strekten;
Door Zijnen glans zijn ook de wolken zaan
Verdeeld ende hebben haar opgedaan.
Hij heeft hagel en bliksem toebereidet,
En in de lucht donderslagen gebreidet,
De hoogste God, liet zijnen donder gaan,
En liet d' aarde met hagel en vuur slaan.
5
Met Zijne pijlen schoot Hij de booz' allen;
Veel bliksems en angst heeft hen overvallen,
Door Uw dreigen en Uwen sterken wind,
En Uwen toorne, die 't alles verslindt,
Zijn de waterstromen gedroogd in 't ronde,
Ontdekt was den aardbodem in den gronde,
Hij heeft mij met Zijn hand goedig bezocht,
En uit dat diep water gezond gebrocht.
6
Hij verloste mij van alle de scharen
Der vijanden, die mij veel te sterk waren;
In nood Hij mij voorkomt ende bijstaat,
Ter rechter tijd is God mijn toeverlaat,
Hij voerde mij in 't breed' ende verzinde,
Hoe Hij mij bewaarde, dien Hij beminde;
Dies dede Hij mij, naar mijn vromigheid,
Ende naar mijner handen reinigheid.
7
Want ik behield altijd des Heeren wegen,
Zonder afwijken, zo de vromen plegen.
Ik hield Zijn wet, die ik hadde gehoord,
Zonder daarvan te verwerpen een woord;
Zodat mij de Heer oprecht heeft bevonden,
In al mijn doen bewaard' ik mij voor zonden;
Dies heeft mij God naar mijn eenvoudigheid
Vergeven en naar mijn oprechtigheid.
8
Voorwaar Heer, Gij Die mijn doen kent alleine,
Gij zijt den goeden goed en rein den reine,
Den oprechten zijt Gij, o Heer, oprecht,
En keert U af van den verkeerden knecht,
Den ootmoedigen bewaart Gij zeer goedig;
Gij maakt ook haast de stout' ogen deemoedig;
Mijn gezicht hebt Gij verlicht; Heer! vermaard,
In duisterheid hebt Gij mij wel verklaard.
9
Door uw kracht heb ik dat krijgsvolk verslagen,
En spring over den muur zonder versagen.
Onz' God is bevonden oprecht en goed;
Zijn woord is gelouterd in des vuurs gloed.
Hij is den mensen een schild in 't benauwen,
Ja dengene, die op Hem vast betrouwen.
Waar is er een God zonder onze Heer?
En zonder Hem enige sterkte meer?
10
God wapent mij met sterkheid zeer vrijmoedig.
En maakt mijn wegen zeker en voorspoedig;
Hij maakt mij gelijk de herten zijn t' zaam,
Om de bergen op te klimmen bekwaam.
En hij leert mijn handen ook krachtig strijden,
Dat mijnen arm kan spannen t' allen tijden
Den stalen boog; Hij is mijn heil, mijn schild,
Die in den nood mij onderhouden wilt.
11
Uw goedheid daar ik op hoop al mijn leven,
Heeft mij nu meer dan ooit te voor verheven.
Gij maakt den weg onder mijn voeten slecht,
Opdat Heer! niet en struikel' Uwen knecht.
Mijn vijanden kan ik grijpen en jagen,
Totdat ze vernield zijn door vele plagen.
Ik sla ze dat ze niet kunnen bestaan,
Maar ter schande onder mijn voeten gaan.
12
Gij rustet mij tot den strijd, Heer doorluchtig!
Gij maakt mijn vijanden alle veldvluchtig,
Gij breekt ook met een al haar grote kracht.
Door mij werden zij tot den val gebracht.
Zij roepen, ja ook tot God, zo zij menen.
Die hen geen troost noch hulpe wil verlenen,
Als stof en slijk dat op de straten leit,
Heb ik ze verjaagd en verstrooid in 't breid.
13
Van 't oproerig volk vrijdt Gij mij met ere,
En gij maakt mij over veel volks een here;
Want dat volk dat mij nooit en heeft bekend,
Heeft hem van zelfs tot mijnen dienst gewend.
Veel vreemden (zijnde door vreze gedreven)
Geveinsdelijk hen tot mijnen dienst geven;
Veel hebben in haar sloten vast gebeefd,
Als men hen van mijn kracht gesproken heeft.
14
Mijn God leeft, Die mij sterkt en maakt geduldig.
Hij is mijn heil, prijs waard zeer menigvuldig.
Die mij sterkheid om mij te wreken geeft;
En doet dat 't volk vreed'lijk onder mij leeft.
Hij doet dat mijn vijanden mij niet schaden,
En verhoogt mij boven all' die mij smaden.
Hij verlost mij door Zijn genade groot,
Van der stouten geweld en wederstoot.
15
Daarom Heer, zal ik U met lofzang prijzen,
Onder vreemden zal ik U eer bewijzen;
Ja U, Heer! Die met een heerlijk geweld,
Uwen koning wel bewaard hebt in 't veld;
Die David, den gezalfden, zeer weldadig,
En zijn kind'ren altijd wil zijn genadig.

Overige
Gereformeerd kerkboekIk heb U lief van ganser harte, Here
Liedboek 1973Ik heb U lief van ganser harte, Here
Marnix van St. AldegondeIck heb dy lief o Heer uyt s'herten gronde,
Bladmuziek

categorie:
arrangeur:

Vocale tegenstem
E. Egberts
partituur  midi
voor bes-instrument  

Afbeelding
Video
Hieronder staan een aantal video's. Hier kunnen video's tussen staan die niets met deze psalm te maken hebben.

© juichtaarde.nl

Zingt voor den Heer op nieuwe wijze,
zing aarde, zing zijn naam ten prijze,
boodschap zijn heil van dag tot dag,
wek bij de volken diep ontzag
voor 't wonder van zijn gunstbewijzen.
psalm 98, berijming Liedboek