Psalm 17

Terug naar psalm overzicht

Info
 

Melodie

midi bestand

Extra info

Zie ook de samenvatting van het proefschrift van G. Kwakkel over de psalmen 7, 17, 18 , 26 en 44.
1773

1
't Behaag' U, HEER', naar mijn gebed,
Geschrei en goede zaak te horen!
'k Vermoei met geen bedrog Uw oren;
Dat heeft mijn lippen niet besmet.
Vergun mij dan mijn klacht t' ontvouwen;
Laat voor Uw heilig aangezicht,
Mijn recht gesteld zijn in het licht,
Uw oog de billijkheid aanschouwen.
2
Gij toetstet mij bij dag en nacht;
Gij vondt mij trouw, in vreugd' of smarte.
De mond sprak steeds de taal van 't harte,
Door beiden is hun plicht betracht,
Wat ook de zondaar aan moog' vangen.
Ik heb voor zijn afschuwlijk pad
Een haat, een afkeer opgevat;
Ik gruw van zijn verkeerde gangen.
3
Ik zet mijn treden in Uw spoor,
Opdat mijn voet niet uit zou glijden.
Wil mij voor struikelen bevrijden,
En ga mij met Uw heillicht voor.
Ik roep U aan, 'k blijf op U wachten,
Omdat G', o God, mij altoos redt.
Ai, luister dan naar mijn gebed,
En neig Uw oren tot mijn klachten.
4
Maak Uwe weldaan wonderbaar,
Gij, die Uw kindren wilt behoeden.
Voor 's vijands macht en vreeslijk woeden,
En hen beschermt in 't grootst gevaar.
Wil mij Uw bijstand niet onttrekken;
Uw zorg bewaak' mij van omhoog;
Bewaar m' als d' appel van het oog;
Wil mij met Uwe vleuglen dekken.
5
Zo zoeken mij vergeefs, o God,
De bozen, die mij fier omringen,
Mijn haters, die mij stout bespringen,
En juichen om mijn naadrend lot;
Zij zijn met vet als overtogen,
Hun mond is vol van hovaardij,
Hun list en macht omsinglen mij;
Zij duiken, loerend met hun ogen.
6
Geen leeuw is heter op de jacht;
Geen jonge leeuw kan, in zijn kuilen,
Met meerder list het oog ontschuilen,
Dan hij, die mij ter prooi verwacht.
Beschaam het aangezicht dier bozen.
Uw grimmigheid vell' hen ter neer.
Bevrijd mij met Uw zwaard, o HEER',
Van 't snood geweld der goddelozen.
7
Red mij van hen, die 't ruim genot
Der wereld voor hun heilgoed achten;
Geen deel, dan in dit leven, wachten,
En maken van den buik hun god.
Van hen, die weelde, schatten, staten,
Hoe rijk, hoe uitgebreid, hoe groot;
Verliezen moeten met den dood,
En hunnen kindren overlaten.
8
Maar ,blij vooruitzicht, dat mij streelt,
Ik zal, ontwaakt, Uw lof ontvouwen;
U in gerechtigheid aanschouwen;
Verzadigd met Uw Goddlijk beeld.

Datheen

1
Aanzie, Heer, 't recht van Uwen knecht,
Wil mijn geroep, o God, verhoren;
Mijn gebed kome tot Uw oren,
Hetwelk vloeit uit een hart oprecht.
Van U, die wetet alle dingen,
Wil ik oordeel en recht ontvaÉn,
Wil toch mijn zake merken aan;
Want gans recht is al mijn voortbringen.
2
Gij hebt mijn hart 's nachts doorzocht, Heer!
En dat aan den proefsteen gestreken.
Nooit heb ik leugen willen spreken,
Gij vindt mij getrouw immermeer.
Ik houde mij naar de bevelen
En 't woord Uwes monds, Heer, met vliet;
Zodat ik niet heb gemeens iet
Met hen, die roven ende stelen.
3
Maak mijn voetpaden vast o God!
Opdat ik mag gaan in Uw wegen,
Zonder te zijn voortaan genegen
Tot afwijken van Uw gebod.
Gij hebt dikwijls, o Heer! vernomen
Mijn gebeden in mijn ellend';
Dies bid ik, tot mij U nu wend,
En laat mijn smeken tot U komen.
4
Toon heerlijk Uw goedheid voortaan,
Gij die bewaart in dat benauwen,
Allen die vast op U betrouwen,
Tegen hen, die U wederstaan,
Dek mij toch, Heer, niet om verhogen,
Met Uw vleug'len naar Uwen aard;
Dat ik zowel mag zijn bewaard,
Als de appel is ener oge.
5
Opdat ik alzo mag ontgaan
Hen, die mij zo wredelijk kwellen,
En mij met haar netten omstellen,
Om mijn ziel te verstrikken zaan,
Zij zijn zeer vet niet om verstrangen,
Opgeblazen met hoogmoed fel.
Zij volgen mij, en loeren snel
(Zo 't konde zijn) om mij te vangen.
6
Een is er zonderlijk vol pracht,
Als een leeuw die den roof najaget,
Als een jonge leeuw onversaget,
Die in den kuil op den roof wacht.
Maak U op, Heer, werp dien ten gronde,
Uit zijn handen mijn ziele waard,
Die U dient als een zeer scherp zwaard,
Mij tot straffe tot dezer stonde.
7
Van hen, die uwe roeden zijn,
Bevrijd mij, die met harten kleven
In d' aard' en daarom alleen leven,
Om rijk te worden zonder pijn.
Gij maakt ze zat ende voorspoedig;
Haar kinderen zijn ook zeer rijk;
De kindskind'ren zijn hen gelijk,
En laten goed na overvloedig.
8
Ik zal nog aanzien Uw aanschijn,
En rein staan voor U, Heer geprezen,
En naar Uw beeld opgewekt wezen,
Dan zal ik ook recht verzaad zijn.
Ik zal U lieven en dienen eendrachtig,
Mijn leven lang, o God, mijn sterkte krachtig;
Gij zijt mijn burcht, mijn troost, mijn heil, mijn steen,
Mijn schild, mijn hoorn, mijn bewaarder alleen.

Overige
Gereformeerd kerkboekHoor naar een rechte zaak, o HEER
Liedboek 1973Hoor, Heer, Gij God van trouw en recht
Marnix van St. AldegondeHoor Heer, neem acht op mijn goet recht
Bladmuziek

categorie:
arrangeur:

Vocale tegenstem
E. Egberts
partituur  midi
voor bes-instrument  

Afbeelding
Een pagina uit de Harley psalter, gemaakt in Canterbury aan het begin van de 11e eeuw. Het is eigenlijk een kopie van de Utrecht psalter (820).
Video
Hieronder staan een aantal video's. Hier kunnen video's tussen staan die niets met deze psalm te maken hebben.

© juichtaarde.nl

Samen in de naam van Jezus heffen wij een loflied aan,
want de Geest spreekt alle talen en doet ons elkaar verstaan
(o.a. E&R bundel 168)