Psalm 9

Terug naar psalm overzicht

Info
 

Melodie

midi bestand
1773

1
Ik zal met al mijn hart den HEER',
Blijmoedig geven lof en eer.
Mijn tong zal mijn gemoed verzellen,
En al Uw wonderen vertellen.
2
Ik zal in U, mijn God, van vreugd,
Opspringen, in den geest verheugd;
Uw Naam zal door mijn psalmgezangen,
O Allerhoogste, lof ontvangen.
3
Omdat mijn vijand, hoe geducht,
Teruggekeerd is en gevlucht;
Hij is, schoon stout te veld getogen,
Vergaan, gevallen voor Uw ogen.
4
Want, naar Uw allerheiligst recht,
Hebt Gij mijn twistgeding beslecht;
En, op Uw hogen troon gezeten;
Deedt Gij, o Rechter, 't vonnis weten.
5
Gij scholdt de heidnen keer op keer;
En wierpt de goddelozen neer;
Hun naam, hun roem hebt Gij vertreden,
En uitgedelgd in eeuwigheden.
6
O vijand, hebt gij door uw macht,
't Verwoesten voor altoos volbracht?
Hebt gij de steden gans bedorven?
Is haar gedachtenis verstorven?
7 Neen, dwaas, uw hoop zal ras vergaan,
Maar 's HEEREN troon zal eeuwig staan;
Dien wilde Hij onwrikbaar stichten,
Om naar het heilig recht te richten.
8
Hij zelf zal aan het wereldrond,
Het recht doen horen uit Zijn mond,
De volken voor Zijn vierschaar stellen,
En daar 't rechtmatig vonnis vellen.
9
De HEER' zal zijn een hoog vertrek,
Voor wie getrapt wordt op den nek.
Een hoog vertrek in drukkend lijden;
Een toevlucht in benauwde tijden.
10
Hij, die Uw Naam in waarheid kent,
Zal, HEER', op U in zijn ellend',
Vertrouwen, wijl Gij nooit liet zuchten,
Hen, die gelovig tot U vluchten.
11
Zingt, zingt den HEER', die eeuwig leeft,
Die Sion tot Zijn woning heeft;
En laat voor aller volken oren,
Met psalmgezang, Zijn daden horen.
12
Hij zoekt en Hij gedenkt het bloed,
Gestort in wreevlen euvelmoed;
Hij toont der armen nood te weten,
En zal hun kermen niet vergeten.
13
Bewijs, o HEER', Uw knecht gena.
Sla mij in mijn ellende ga.
Zie, hoe mijn haters mij verdrukken,
Gij, die mij wilt den dood ontrukken.
14
Opdat ik, HEER', U, blij te moe,
In Sions poorten hulde doe,
En in Uw heil, te allen tijde,
Met Sions dochter mij verblijde.
15
De heidnen zijn, door waan misleid;
Gestort in kuilen, mij bereid;
Hun voet verwart zich in de netten,
Die z' in 't verborgen voor mij zetten.
16
Thans is de HEER' bekend alom,
Door recht te doen bij 't heidendom.
De goddeloze raakt in banden,
Verstrikt in 't werk van zijne handen.
17
De stoute zondaars zullen snel,
Teruggekeren naar de hel;
Met al de godvergeten benden,
Der heidnen, die Zijn wetten schenden.
18
Nooddruftigen vergeet God niet,
Noch laat hen eindloos in 't verdriet.
't Ellendig volk mag op Hem wachten;
Hij zal hun hoop niet steeds verachten.
19
Sta op, o HEER', en laat den mens,
Zich niet versterken naar zijn wens.
Maar oordeel Gij, in 't wraakgerichte,
De heidnen voor Uw aangezichte.
20
O HEER', jaag hun vervaardheid aan,
En doe den heidenen verstaan;
Dat zij, die Sions rampen wensen,
Geen goden zijn, maar broze mensen.

Datheen

1
Heer, ik wil U uit 's harten grond
Prijzen, en overal doen kond
Uw wonderen in alle wijken,
Die niet en zijn om vergelijken.
2
In U wil ik wezen verblijd;
Dat is mijn vreugd tot dezer tijd.
Uwen naam schoon wil ik ook prijzen
En U met lofzang eer bewijzen.
3
Omdat door Uwe grote macht
Mijn vijand wijkt en vliedt met kracht,
En dat hij nederleit geslagen,
Door Uw aanschijn zwaar om verdragen.
4
Gij zijt zo goed in dezen stand,
Dat Gij mijn zaak neemt bij de hand.
Gij zit tot mijn hulpe volvaardig
Op den stoel als Rechter rechtvaardig.
5
Mijn vijanden hebt gij verdaan,
En de booz' all' haast doen vergaan.
Gij hebt haar gedachtenis prachtig
Te niet gedaan door Uw hand krachtig.
6
Welaan, gij loos mens wel bekend,
Hebt gij uw voornemen volend?
En vernield onz' steden verheven?
In haren naam gans t' onder bleven?
7
Och neen! want God met grote kracht,
Die eeuwig heerset hoog geacht,
Is op den stoel, zo 't is gebleken,
Gezeten om 't recht uit te spreken.
8
Daar zal Hij richten met bescheid
't Aardrijk dat hier beneden leit.
Wegende de zaken met reden
Van alle mensen hier beneden.
9
Daar werd God de toevlucht allein
Des armen, dien men acht zeer klein,
Ja zijn toevlucht, die hem in 't lijden
Zal verkwikken en doen verblijden.
10
Dies zij, dien Gij, Heer! U maakt kond
Zullen op U vast staan gegrond;
Want die tot U gaan, Heer geprezen,
Zullen hier niet verlaten wezen.
11
Looft nu met lofzangen zeer klaar,
God die tot Sion woont eenpaar;
Vertelt Zijn grote wonderwerken,
Maakt dat z' alle mensen bemerken.
12
Hij gedenkt aan der vromen bloed,
En wreekt dat met een gram gemoed.
Dat geschrei wil Hij niet verachten,
Der benauwden, noch ook haar klachten.
13
Heer, Gij Die mijn God zijt in nood,
Zie aan mijn kruis en lijden groot.
Dat mijn vijanden mij opdringen;
Uit den weg des doods wilt mij bringen.
14
Dat ik midden in Uw gemeen',
Uwen lof zing en anders geen;
Zijnde verblijd en ook gedachtig
Dat Gij mij verlost hebt waarachtig.
15
De bozen zijn haastelijk al,
In haar strikken komen ten val.
Haar voeten zijn in 't net gevangen,
Dat zij voor mij hadden gehangen.
16
Zo is God geworden bekend,
Hebbende dit oordeel geČnd;
Daarin dat de schalk heeft bevonden,
't Kwaad zijner listen niet om gronden.
17
Dit 's zeker, dat de bozen zaan,
Haast zullen vallen en vergaan.
God zal die straffen onvertogen,
Die Hem niet en houden voor ogen.
18
Maar de mens ootmoedig, o Heer,
Zult gij vergeten nimmermeer;
Zijn hope die hier is misprezen,
En zal bij U niet ijdel wezen.
19
Kom toch Heer! toon nu Uw geweld,
Opdat de mens hem niet en stelt
Tegen U; maar dat alle scharen
Voor Uw gericht hen openbaren.
20
O Heer! die daar eeuwiglijk leeft,
Maak dat der bozen harte beeft;
Doe hen verstaan (dat is mijn wensen),
Dat zij niet zijn dan zwakke mensen.

Overige
Gereformeerd kerkboekIk zal met heel mijn hart o HEER
Liedboek 1973Met heel mijn hart zing ik uw eer
Marnix van St. AldegondeUan ganscher herten ende cracht
Bladmuziek

categorie:
arrangeur:

Vocale tegenstem
E. Egberts
partituur  midi
voor bes instrument  

Afbeelding
Video
Hieronder staan een aantal video's. Hier kunnen video's tussen staan die niets met deze psalm te maken hebben.

© juichtaarde.nl

Juich dan den HEER' met blijde galmen,
Gij ganse wereld, juich van vreugd.
Zing vrolijk in verheven psalmen
Het heil, dat d' aard' in 't rond verheugt.
psalm 98, berijming 1773