Psalm 7

Terug naar psalm overzicht

Info
 

Melodie

midi bestand

Extra info

Zie ook de samenvatting van het proefschrift van G. Kwakkel over de psalmen 7, 17, 18 , 26 en 44.
1773

1
O HEER', mijn God, volzalig Wezen,
'k Betrouw op U, wien zou ik vrezen?
Red mij hulpvaardig uit den nood,
Eer mij mijn vijand breng' ter dood.
Geef mij ten roof niet in zijn handen,
Die mij, met felle leeuwentanden,
Verscheuren zou door wond op wond,
Wanneer ik geen verlosser vond.
2
Mijn God, zo 'k immer hebb' bedreven,
Het boze stuk, mij aangewreven,
't Onkreukbaar recht ooit hebb' gefnuikt,
En een oneven schaal gebruikt;
Of kwaad voor goed hebb' toegewogen;
En mijnen vreegenoot bedrogen;
Hem heb ik zelfs 't gevaar ontrukt,
Die mij ten onrecht' had verdrukt.
3
Zo moet mijn vijand op de hielen,
Mij volgen, ja geheel vernielen,
Hij roov' mijn leven en mijn eer,
En werp' mijn kroon ter aarde neer.
Sta op, o HEER', wil mij behoeden,
Uw gramschap straff', mijns vijands woeden,
Ontwaak voor mij, en keer 't geweld;
't Gericht hebt Gij zelf ingesteld.
4
Zo zullen zich gehele scharen,
Van volkren om U heen vergaren
Beklim dan, boven dit gewoel,
Uw hemeltroon, Uw rechterstoel,
De HEER' zal al de volken richten,
En 't onrecht voor het recht doen zwichten;
Geef dan, o HEER', dat voor elks oog,
Mijn recht en vroomheid blijken moog'.
5
Laat toeh het kwaad der goddelozen
Een einde nemen, straf de bozen.
Maar sterk Uw volk, dat hulp behoeft,
Gij, die elks hart en nieren proeft,
Laat vrij voor U mijn vijand vrezen,
Voor U, rechtvaardig Opperwezen;
Bij U, mijn Bondgod, is mijn schild,
Die 't vroom gemoed behouden wilt.
6
God, die op 't recht Zijn troon wil stichten,
God is rechtvaardig in Zijn richten.
En toont Zijn gramschap dag aan dag.
Bestrijdt de mens Zijn hoog gezag,
Blijft hij zich tegen Hem verzetten;
God zal Zijn glinstrend wraakzwaard wetten;
Hij kromt en spant alree Zijn boog;
En dreigt met pijlen van omhoog.
7
God heeft de waapnen aangegrepen,
Tot 's vijands wissen dood geslepen;
Hij legt de pijlen op hem aan.
Wie hittig woedt, zal niet bestaan;
De boze wringt en kromt de leden,
ln arbeid van onzinnigheden.
Hij gaat van dwaze moeite zwaar;
Verwacht dan, dat hij leugen baar'.
8
Hij heeft een diepen kuil doen delven,
Maar 't was, bij d' uitkomst, voor zichzelven.
Schoon hij, met zoveel loos beleid,
Dien had tot mijn verderf bereid.
De moeite, die hij dorst verwekken,
Zal zijnen kop eerlang bedekken.
En zijnen schedel al 't geweld,
Waarmee hij andren had gekweld.
9
Ik zal het eeuwig Wezen prijzen,
Zijn recht de schuldig' eer bewijzen,
En zingen 's Allerhoogsten lof,
Met psalmen, tot in 't hemelhof.

Datheen

1
Op U hoop ik, Heer, t' alle tijden;
Wil mij toch voor al die bevrijden,
Die mij haten met onverstand;
Dat ik hun niet vall' in de hand.
Dat haar overste mij niet vange,
En mij, als ene leeuwe strange,
Niet verniel' en make te schand',
Bloot zijnde van Uwen bijstand.
2
God, op Wien ik hoop met verlangen,
Heb ik mijn dagen zulks begangen,
Als zij toeschrijven Uwen knecht?
Is in mijn hand enig onrecht?
Heb ik kwaad vergolden met kwade?
Ofte gezocht der vromen schade?
Heb ik dien vergramd met een woord,
Die t' onrecht op mij was gestoord?
3
Zo moet mijn vijand mij najagen,
Van hem werd' ik nedergeslagen,
Hij brenge mijn leven te niet
En mijn ere daar men op ziet.
Sta op, Heer! wil opstaan in eren,
Uwen toorn tegen hen wil keren.
Die mij haten. Help mij gelijk
Aan dat beloofde koninkrijk.
4
Dat volk kome met grote hopen
Tot Uwe Majesteit gelopen.
En opdat wij ons recht ontvaan,
Wil op Uwen rechterstoel gaan.
Daar zult Gij des volks Rechter wezen.
En zult (Heer! mijn toevlucht geprezen)
Mij naar mijne gerechtigheid
Richten, en naar mijn vromigheid.
5
Van der boosheid wil een eind maken
Der bozen, en neem aan de zaken
Der vromen; Gij, die t' aller stond
Elks hart ende nieren doorgrondt.
God is mijn schild en mijn borcht krachtig,
Op Hem is 't dat ik hoop aandachtig,
Die de vromen helpt en behoedt
Ende die overwinnen doet.
6
God is een oprecht Richter machtig.
Des vromen mans, die Hem valt klachtig,
Hij is ook dier Richter bekend,
Die Hem vertoornen zonder end,
Is 't dat hij, die mij zoekt t' onteren
Niet wil afstaan noch hem bekeren,
God zal scherpen zijn zwaard zeer fel
En schieten met den boge snel.
7
Van nu heeft bereid God almachtig,
Dood'lijk geschut en wapen krachtig;
Hij maakt pijlen ter straf bekwaam
Dergenen, die mij haten t' zaam;
Een ander heeft kwaad in zijn zinnen,
Hij is zwanger met onrecht binnen.
Dies zal hij baren anders niet,
Dan enkel leugen met verdriet.
8
Om enen diepen put te graven,
Ziet men hem naarstelijken slaven.
Maar in den put zal hij vergaan,
Dien hij mij te graven vangt aan.
Dat kwaad, dat hij heeft voorgenomen
Mij te doen, zal op zijn hoofd komen;
Ja 't kwaad dat hij doet overal,
Op zijnen kop haast vallen zal.
9
Dies mijn hart God daarom nu prijzet,
Dat Hij gerechtigheid bewijzet;
En zo lang als ik leve vrij,
Zal ik den Heere zingen blij.

Overige
Gereformeerd kerkboekHere mijn God, Gij hoedt mijn leven
Liedboek 1973Here mijn God, Gij hoedt mijn leven
Marnix van St. AldegondeAlmachtich Heer mijn Godt ghenadich
P.C. HooftO God, ghij zijt in mijn verdrieten
Bladmuziek
Van deze psalm zijn er geen muziekbewerkingen.
Afbeelding
Video
Hieronder staan een aantal video's. Hier kunnen video's tussen staan die niets met deze psalm te maken hebben.

© juichtaarde.nl

Juicht, o volken, juicht, handklapt,
en betuigt onzen God uw vreugd
psalm 47, berijming 1773