Psalm 2

Terug naar psalm overzicht

Info
 

Melodie

midi bestand
1773

1
Wat drift beheerst het woedend heidendom,
En heeft het hart der volken ingenomen?
De koningen verheffen zich alom,
De vorsten zijn vermetel saamgekomen,
Om God, den HEER', zelfs naar de kroon te steken,
En tegen Zijn Gezalfde op te staan.
Zij spreken saam: "Laat ons hun banden breken,
En van hun juk en touwen ons ontslaan."
2
Maar d' Opperheer, die Zijn geduchten stoel
Op starren sticht, en grondvest op de wolken,
Zal lachen met dat vruchteloos gewoel,
En spotten met den waan der dwaze volken,
God zal Zijn wraak ontdekken voor hun ogen.
Straks gloeit de lucht door 't vlammend bliksemlicht;
't Is God die spreekt; Hij dondert uit den hoge,
En jaagt den schrik Zijn haatren in 't gezicht.
3
"Durft gij bestaan te twisten met Mijn kracht?
Zal nietig stof Mij 't hoog gezag ontwringen,
Of weerstand bien aan Mijn geduchte macht?
Ontziet Mijn toorn, verdoolde stervelingen.
Gij zult vergeefs Mijn rijksbestel weerstreven.
Mijn Koning is gezalfd door Mijn beleid;
Hij, door Mijn hand op Sions troon verheven,
Heerst op den berg van Mijne heiligheid."
4
"En Ik, die Vorst, met zoveel macht bedeeld,
Zal Gods besluit aan 't wereldrond doen horen.
Hij sprak tot Mij: "'k Heb heden U geteeld;
Gij zijt Mijn Zoon, Gij zijt Mijn een geboren;
Zeg vrij Uw eis; Ik zal Uw macht verhogen,
Opdat Uw Naam alom ontzaglijk zij;
Het heidendom ligg' voor Uw stoel gebogen,
En 't eind der aard erkenn' Uw heerschappij."
5
"Uw ijzren staf, die al hun macht verplet,
Maak' hen eerlang eerbiedig' onderzaten,
En noodzaak, hen te buigen voor Uw wet,
Of sla z' aan gruis, als pottenbakkersvaten!"
O vorsten, wilt de wet der wijsheid horen,
Eer gij God zelv' en Zijn Gezalfde hoont.
O rechters, tot den stoel der eer gekoren,
Verdraagt Zijn tucht, die u Zijn liefde toont.
6
Vreest 's HEEREN macht en dient Zijn Majesteit;
Juicht, bevend op 't gezicht van Zijn vermogen,
En kust den Zoon, van ouds u toegezeid;
Eer u Zijn toorn verdelg' voor aller ogen,
U op uw' weg tot stof doe wederkeren;
Wanneer Zijn wraak, getergd door uw gedrag,
U, onverhoeds, zou door haar gloed verteren,
Tot staving van Zijn langgehoond gezag.
7
Welzalig zij, die, naar Zijn reine leer,
In Hem hun heil, hun hoogst geluk beschouwen.
Die Sions Vorst erkennen voor hun HEER';
Welzalig zij, die vast op Hem betrouwen.

Datheen

1
Waarom raast dat volk met zulken hoogmoed?
Waarom komen de heidenen te zamen?
Wat is 't dat hen vergeefs zo woeden doet,
En raadslaan van dingen die niet betamen?
De koningen hen te zamen verbinden,
De voornaamst' al zijn ook daartoe bedacht;
God te bestrijden zij hen onderwinden,
En Zijnen Gezalfde met grote macht.
2
Zij spreken t' zaam: Laat ons breken met een
Haar banden al waarmeed' zij ons verstrikken;
En 't jok dat z'ons hard opleggen gemeen,
Laat ons verwerpen en breken in stikken!
Maar God, Die den hemel bewoont geprezen,
Zal ze belachen; want haar doen Hij ziet.
Haar opstel zal van Hem bespottet wezen;
Want het is ijdel en God acht het niet.
3
Hij zal z' aanspreken elk bij zijnen naam,
In zijn gramschap, die grootlijks is te vruchten.
Hij zal ze verbaasd maken al te zaam
In Zijn toornigheid, die zeer is te duchten;
En zal spreken: Gij koningen wilt horen!
Van waar komt u dezen raadslag zo erg?
Ik heb Mijn Koning gezalfd en verkoren
Over Sion, Mijnen heiligen berg.
4
En Ik, Zijn Koning, van Hem toebereid,
Zal Gods oordeel spreken voor ieders oren,
't Welk is, dat Hij Mij klaarlijk heeft gezeid:
Gij zijt mijn Zoon, heden van Mij geboren;
Begeer van Mij, Ik zal U t' eender erven,
Veel volkeren haast maken onderdaan.
Een al zulk rijk zult Gij van Mij verwerven,
Dat tot den einde des aardrijks zal gaan.
5
Gij zult dragen enen ijzeren staf,
Om die al te dwingen dat z' U doen ere.
Gij zult z' in den wind verstrooien als kaf,
En morzelen als een aarden vat tere.
Dies gij koningen en vorsten der aarde,
Wilt Mijn onderwijs met harten ontvaan.
En gij richters, wilt met ootmoed aanvaarden
't Goed vermaan dat U van Mij werd gedaan.
6
Dient God met kinderlijke vreze goed,
Vreest Zijn gramschap en zoekt Hem te behagen.
Verblijdt U en beeft voor Hem met ootmoed.
Ziet dat gij Hem geen oorzaak geeft te klagen.
Kusset den Zoon, Dien Hij u heeft gezonden,
Dat Hij niet gram zij over uwe daad;
Opdat gij haast te zaam niet wordt verslonden,
En in uwen weg niet schrikk'lijk vergaat.
7
Want Zijn gramschap ontsteekt zeer haast en brandt
Gelijk een vuur, als men daarop niet achtet
Och, hoe zalig is hij in zulken stand,
Die Hem vertrouwt en op Zijn goedheid wachtet.

Overige
Gereformeerd kerkboekWat drijft de volken, wat bezielt ze toch
Liedboek 1973Wat drijft de volken, wat bezielt ze toch
Marnix van St. AldegondeHoe gaet dit toe, dat d'Heydens soo te gaer
Bladmuziek
Van deze psalm zijn er geen muziekbewerkingen.
Afbeelding
Utrecht Psalter, een beroemd handschrift dat ca. 820-835 in de Benedictijner Abdij te Hautvillers bij Rheims vervaardigd is.
Video
Hieronder staan een aantal video's. Hier kunnen video's tussen staan die niets met deze psalm te maken hebben.

© juichtaarde.nl

Samen in de naam van Jezus heffen wij een loflied aan,
want de Geest spreekt alle talen en doet ons elkaar verstaan
(o.a. E&R bundel 168)